
Kees Mulderij uit Voorthuizen was kind in de oorlog: ‘Toen sloeg er een bom in de school!’
17 april 2025 om 15:35 Historie Tips van de redactieVOORTHUIZEN Getuigen van de Tweede Wereldoorlog zijn er steeds minder. Kees Mulderij (89) is getogen in Voorthuizen en herinnert zich nog veel van zijn kindertijd tussen 1940 en 1945. Van het dagelijkse leven tot dramatische gebeurtenissen.
,,Ik zeg altijd een beetje gekscherend dat ik in ‘bezet gebied’ van Barneveld heb gebouwd”, zegt hij met een brede glimlach. Want in zijn werkzame leven had Kees Mulderij een bouwbedrijf. Hij verklaart dat de spoorlijn tussen Barneveld en Voorthuizen in zijn ogen als een soort grens fungeert en dat bedrijven (ook op Harselaar) dan met elkaar steggelden bij welk dorp ze eigenlijk horen. Eerst woonde hij zelf net aan zuidkant daarvan en nu woont hij met veel plezier aan de Bakkersweg in Voorthuizen zelf. ,,We zijn hier een beetje chauvinistisch ingesteld.” Zo stond Kees, samen met wat dorpsgenoten aan de basis van het voorkomen van een standbeeld van Lodewijk Napoleon in Voorthuizen. Liever zagen zij een beeld van de kunstzinnige broers Arnold en Edzard Koning. In september 2024 werd dit onthuld op het gazon op een hoek van de Koninginnelaan. Het werd gemaakt door beeldhouwer Gerard Overeem.
KERKSTRAAT Geschiedenis en maatschappij interesseren hem. Zijn eigen ouders Willem en Eibertje Mulderij woonden in het midden vorige eeuw samen met zeven kinderen aan de Kerkstraat in Voorthuizen, tegenover de modezaak van Bossenbroek: Ab, Kees, Henk, Gerard, Willie, Jan en Dick. Zelf werd Kees in het ziekenhuis geboren, omdat de bevalling niet zo gemakkelijk ging. Zijn opa bediende in Voorthuizen de spoorbomen.
De Van den Berghschool stond schuin tegenover het ouderlijk huis aan de Kerkstraat. ,,Dus hoefde je geen brood mee te nemen. Deze lagere school stond bekend als een goede school met de Bijbel. Ik ken nog heel veel psalmen uit mijn hoofd die ik daar geleerd heb.” Henk van de Broek was een klasgenoot die nu nog in leven is. Hij kan alle leerkrachten nog opnoemen, terwijl juffrouw Schuld de meeste indruk op hem gemaakt heeft.
EVACUATIE Op 10 mei 1940 brak de oorlog uit, terwijl Keesje twee maanden later op 6 juli vijf jaar werd. De Voorthuizenaar heeft een goed geheugen en weet nog veel van zijn kinderjaren. ,,De school werd in september 1944 gesloten, omdat Duitse soldaten hier ingekwartierd werden. Mijn vader en moeder hadden een Winkel van Sinkel, waar je van alles kon kopen. Maar op die dag kregen we te horen dat we moesten evacueren. Als jongetje wist ik niet wat dat moeilijke woord betekende, maar ik zag dat heel veel mensen in onze winkel in de ochtend nog snel van alles kwamen kopen. Mijn vader was postbode en plichtsgetrouw, want die dag ging hij ook nog naar het postkantoor. Er dreigde oorlog, maar er was toen nog niets aan de hand.”
Toen Kees’ vader die dag thuiskwam, bleek toch dat het ernst was en had hij met zijn collega Van Dijk afgesproken om in de middag naar Ermelo te vertrekken. Hij herinnert zich die evacuatiedag niet als ‘iets ergs’, want het was een mooie dag. ,,Ik zat bij een van de zoons van Van Dijk achterop de fiets. Zo gingen we in optocht naar Ermelo. Mijn broer Gerard lag in de kinderwagen en werd zo meegetrokken. We waren niet de enigen, want het was hartstikke druk op de weg.” De familie werd vanuit Ermelo met de brandweer vervoerd naar Staverden, waar ze terecht konden bij een familie die ze Altjemeu noemden. ,,Met fietsen en al, dat ging allemaal op dat ene wagentje. Dat beeld houd je vast.”
De reden van de evacuatie naar Ermelo was dat de verwachting was dat er in de Gelderse Vallei hevig gevochten zou worden. Kees herinnert zich nog een verhaal, waarvan hij niet honderd procent zeker is dat het waar is. ,,In de Schoolstraat had je een kapper en hij moest ook snel evacueren. Zijn vrouw had tbc en zij lag in een tentje in de tuin, want zo ging dat in die tijd. Zij zou nog opgehaald worden, maar dat zijn ze vermoedelijk vergeten.”
VARKEN GESLACHT Op het evacuatieadres was nog een ander gezin uit Terschuur dat in het bakhuisje verbleef. De familie Mulderij kon binnen vijf dagen alweer naar huis, want op 15 mei capituleerde Nederland, nadat Rotterdam door de Duitsers was gebombardeerd. ,,Want de dreiging hing in de lucht dat steden als Utrecht en Amsterdam zouden volgen.” Later hadden Kees’ ouders nog contact met de mensen die hen in Ermelo hadden opgevangen: een gezin met een zoon en twee dochters. ,,Later heb ik ze elk jaar nog gezien en kwamen ze bosbessen brengen.”
De winkel van Mulderij werd in 1943 gesloten, omdat de aanvoer van producten zo goed als stagneerde. ,,We hadden alleen nog wat troep over.” Tijdens de hongerwinter van ‘44-‘45 had het gezin voldoende te eten, mede dankzij de grote tuin die veel groente opbracht. Bovendien werd er thuis twee keer per jaar een varken geslacht. ,,Dan kwam er een extra tafel in de keuken als dat beest ontleed werd. Ik weet nog dat een man uit Rotterdam vroeg of hij de hersenen mocht hebben. Want dat vond hij een enorme lekkernij.” Kees lacht bij de suggestie dat de man er ongetwijfeld ook een stuk wijzer van is geworden.
Los van deze soort van alledaagse activiteiten, maakte Kees ook dramatische dingen mee. Zo ziet hij nog steeds het vertrokken gezicht van zijn vader voor zich toen die een keer thuis kwam. ,,Er was een paard bij een boerderij weggerend en een ‘etenhaler’ uit de stad probeerde het dier te vangen. Maar toen werd hij door jagers uit de lucht neergeschoten. Mijn vader had dit voor zijn ogen zien gebeuren.”
JOODSE MENSEN Zijn opa woonde samen met een dochter en zij hadden twee joodse mensen in huis aan de Wikselaarseweg. ,,Die zijn opgepakt en meegenomen. De een is teruggekomen, maar de ander niet en is omgekomen. Daarna heeft mijn opa weer een joods echtpaar in huis gehad. Af en toe kon ik naar ‘ome Dick’ om hem te helpen met de snijmachine van tabak, want hij zat boven in huis op de vliering. Ik wist niet dat hij joods was en ik schijn tegen mijn ouders gezegd te hebben: ‘Ik zou weleens een jood willen zien’. Op 18 april 1945, een dag na de bevrijding, zag ik ‘ome Dick’ in de tuin en hij stak zijn armen in de lucht en riep naar mij: ‘Dit is een jood, Kees!’. Leuk hè? Hij luisterde ook altijd naar Radio Oranje. Dan typte hij de berichten uit.”
Een NSB’er met de naam Doppenberg legde in die onderduiktijd het vuur van Kees’ opa na aan de schenen, toen hij dreigend tegen hem zei: ‘Je wilt toch nog wel van je oude dag genieten?’ Hij had geluk dat ze hem niet meenamen. ,,Later kwam het verzoek of hij weer mensen in huis wilde nemen en toen schijnt hij gezegd te hebben: ‘De Duitsers zullen wel denken dat ik niet zo gek zal zijn om dit weer te doen, dus is het goed’.” Kees’ opa had ook Nederlanders in huis die eigenlijk onderdoken, omdat ze geen gehoor gaven aan de oproep om arbeid voor de Duitsers te verrichten. ,,Eentje heette Nico en hij was ook actief bij de ondergrondse.”
ERWTENSOEP EN STRO In de oorlogswinter kwamen er twee vrouwen uit Rotterdam naar Voorthuizen en zij klopten bij het gezin van Kees’ ouders aan, juist toen ze aan het eten waren. ,,Ze kregen meteen erwtensoep en wilden wel werken voor de kost. Nel werd huishoudster bij meneer Van de Akker uit Voorthuizen, maar dat klikte niet zo goed. Dus vertrok ze lopend terug naar huis, maar ze kwam niet verder dan Amersfoort, er was geen doorkomen aan. Dus kwam ze terug naar Voorthuizen. Met die andere vrouw Alie hebben we tot aan haar dood contact gehouden. Dat was een hele leuke, sociale vrouw. Zo bracht ze boterhammen naar etenhalers die op stro in de school tegenover ons huis lagen. Daar was ik bij en ik weet nog dat ze op dat brood af vlogen. Mijn vader ontving die mensen thuis en zorgde voor een brandende kachel en koffie van gebrande gerst. Alie stuurde ook voedselpakketten naar haar vader, maar na de oorlog bleek dat hij overleden was. Een andere keer kwam een jonge vrouw met een fiets met etenswaren naar ons, nadat ze in Epe had gewerkt. Later is ze met de helft daarvan in één dag naar Schiedam gefietst.”
![]()
De uit de richting van Zeumeren oprukkende Canadezen zorgden voor de vrijwel definitieve vernietiging van de molen ‘Windlust’ aan de Molenweg, die twee jaar eerder al eens door een Duits jachtvliegtuig in brand was geschoten.
KELDER Op 16 april 1945 stond Kees met zijn vader en een onderduiker van de buren in de tuin te praten. Juist toen kwam er een raket over en die sloeg in aan de Overhorsterweg bij de familie Van Galen. Die vernielde een schuur en vervolgens was het een tijdje stil. Maar door dit gevaar vond Kees’ moeder het die dag niet meer verantwoord dat kinderen boven in huis zouden slapen. ,,Dus haalden we de matrassen naar beneden, maar juist toen sloeg er een bom in de school, waardoor ook alle ruiten eruit gingen. Ik weet nog dat ik samen met zus Willie toen mijn broer Jan uit de wieg gehaald heb. Zo gingen we snel met het hele spul de kelder in. Toen ging het aardig tekeer, met lawaai van raketten. Zo werd die boerderij dus op een paar honderd meter afstand in brand geschoten. Dit gebeurde ook met een boerderij van de familie De Wit aan de Apeldoornsestraat. Mijn vader kwam dan verslag uitbrengen als hij boven even durfde te kijken wat er buiten gebeurde.”
TRAGISCH Op 17 april is de school ook afgebrand en verwoest, net als het huis van de familie Stomphorst. ,,Daarna konden ze bij de bakker schuilen, maar dat hele gezin is toch omgekomen door het vuur van de Canadezen op die woning. Heel tragisch natuurlijk.”
Bovendien werd die dag de spits van de Gereformeerde Kerk van de toren geschoten. Kees vond het een bijzondere spits, omdat het door een architect van de Amsterdamse School was ontworpen, de heer Plooi. ,,Ik heb nog actie gevoerd om die terug te krijgen, maar dat is niet gelukt. De spits die nu op de toren staat, vind ik een carnavalsmuts, maar hij heeft wel iets aparts.” Mulderij vindt het ook jammer dat de molen toen verwoest is en dat die nooit meer opnieuw gebouwd is.
PRINSENKAMP Op 17 april 1945 rolden kleine tanks de Voorthuizense straten in. ‘Daar komen ze binnen! Kom maar uit de kelder’, zei de vader van Kees tegen zijn kinderen. ,,De geallieerden sprongen van de tanks af en gingen huis na huis kijken of er nog Duitsers achtergebleven waren. Terwijl wij gewoon voor het huis stonden te juichen, was dat voor die Canadese militairen natuurlijk verschrikkelijk spannend. Gelukkig is er niks gebeurd. Wij dachten dat we bevrijd waren, maar we hadden gewoon nog in die kelder moeten blijven.” Achteraf gezien, had het maar zo nog enorm mis kunnen gaan.
Veel Duitsers waren gevlucht naar Prinsenkamp, een gehucht van een stuk of twaalf boerderijen. Formeel hoort dit bij Nijkerk, maar het ligt vlakbij de begraafplaats van Voorthuizen. ,,Toen dit bevrijd werd, zijn er nog veel mensen uit de Prinsenkamp omgekomen, onder wie mijn klasgenoot Jan Top. Hij was door een granaatscherf getroffen. Want de geallieerden hebben toen boerderij voor boerderij gewoon plat geschoten.”
GEEN TRAUMA Ondanks deze heftige gebeurtenissen, hield Kees er geen trauma aan over. Hij vindt het mooi dat Voorthuizenaren mensen hulp konden bieden, zoals met eten en onderdak. ,,Tegenwoordig maak je een bedragje over aan een goed doel, maar je ziet de mensen niet.”
Kees werd met het geloof opgevoed, maar is heel kritisch van aard, wat hem niet altijd in dank afgenomen wordt. Als kind vond hij het al merkwaardig dat dominee Jager in de kerk bad of God de wapens van de geallieerden mocht zegenen. Wel denkt hij dat zijn ouders steun aan het geloof hebben gehad. Hij wijst op een bevrijdingslied: ‘Gelukkig is het land dat God de Heer beschermt. Als daar met moord en brand de vijand rondom zwermt. En dat men meent dat Hij ’t schier overwinnen al. Dat dan, dat dan, dat dan de vijand zelf komt tot den val’. ,,Ik dacht later: nou, ik heb in die vijf jaar niet zoveel van Zijn bescherming gemerkt. En de geallieerden hebben ons bevrijd.”
De Voorthuizenaar vraagt zich nu ook vaak af waarom God niet ingrijpt bij oorlog, geweld en verdriet dat er ook vandaag nog volop bestaat. Hij wijst in dit verband op het Oude Testament waarin te lezen is dat God wel ingreep. Tegelijk valt zijn mond open bij de leiders die onze wereld had of heeft. ,,Ik kan me helemaal niks voorstellen bij de gedachten die figuren als Adolf Hitler en Vladimir Poetin hebben. Wat een verschrikkelijke mensen! Voor dit soort figuren zou het fijn zijn als er een hel is.”
door Freek Wolff




















