[-47-

26 mei 2026 om 10:05


‘Niet. Hij wilde niet praten, niet met mij, niet met de kinderen die de zaterdag daarna alle drie kwamen, niet met de dominee of een ouderling – hij heeft zich trouwens meteen uit laten schrijven uit de kerk – en bleef alleen maar zeggen dat ik bij hém wegging, hij niet bij mij. In feite had hij daar gelijk in…’ Ze zuchtte weer. ‘Het was allemaal zó ingewikkeld.’

‘Tjonge…’ zei Aart. ‘Wat stom dat ik daar in mei al niet naar gevraagd heb, sorry, Francien.’

‘Och, het was toen allemaal nog zo vers, ik vond het toen moeilijker om over te praten dan nu. Het was allemaal zo verwarrend.’

‘Dat snap ik. Dus jij denkt dat hij nu met die Gerda is?’

‘Het zou kunnen.’

‘Maar die heeft toch zelf een gezin, vertelde je? Die jongste was… twaalf, zei je?’

‘Ja. Nou ja, ze was op het laatst zó vaak bij ons, dan redde dat gezin zich blijkbaar ook al zonder haar.’

‘Tjonge,’ zei Aart weer. ‘Dat moet allemaal niet makkelijk geweest zijn voor jou. En nog.’

‘Nee, dat was het niet. En ik worstel er soms nog steeds mee. Had ik wel weg mogen gaan? We hadden toch beloofd “tot de dood ons scheidt”? En “de liefde verdraagt alles”?’

‘Nou, alles… als ik dat zo hoor, had je genoeg redenen om weg te gaan.’

‘Maar hoe is het met jullie?’ vroeg Francien toen. ‘Zijn jullie van de zomer nog naar Engeland gegaan?’

‘Ja, naar het Lake District. Prachtige omgeving, we hebben het goed gehad.’

‘Fijn voor jullie. Dus je hebt ook kennisgemaakt met Brigitta’s familie daar?’

Aart knikte. ‘Ja, het was erg gezellig, heel gastvrije mensen.’

Franciens blik viel op de klok, ze zag verschrikt hoe laat het al was en zei: ‘Sorry, ik moet nu ophangen, ik moet vanmiddag werken en heb nog niet geluncht.’

‘Je woont nu vast een stuk verder bij je werk vandaan?’ vroeg Aart.

‘Ja, maar ik heb van de kinderen en van mijn familie een elektrische fiets gekregen. Dat is heel fijn, zeker als het regent.’ Ze grijnsde.

‘Dat is lief van ze. Nou, werk ze vanmiddag, en de groeten van Brigitta.’

‘Doe haar maar de groeten terug. Fijn om je even gesproken te hebben. Doei.’

Toen Francien aan het eind van die middag aan het werk was en haar medicijnronde deed, zag ze tot haar verbazing buurman Koos over de gang lopen.

‘Dag Koos, wat doe jij nu hier?’

‘Ha Francien, wat fijn je te zien! Ik ben net op bezoek geweest bij een neef van me, die hier sinds dinsdag woont.’

‘Sinds dinsdag?’ Francien ging in gedachten de kamers na. ‘Is Leen van Dijke jouw neef?’

Koos knikte. ‘Ja, hij is aan het dementeren, het ging niet meer thuis. Maar hoe is het met jou?’

‘Och, het gaat wel. Het is nog wel moeilijk, maar ik heb een fijn huis en een goed contact met de kinderen, dat is fijn. Ik ben trouwens weer oma geworden, vorige week vrijdag!’

‘Is de baby bij Gert-Jan er?’ vroeg Koos.

Francien knikte. Ze zette het blad met medicijnen op een tafeltje in de gang en pakte haar telefoon uit haar schortzak. Ze scrolde door de afbeeldingen en liet Koos toen een foto zien. ‘Een prachtig, gezond meisje, ze heet Yara.’

‘Och, wat een liefje,’ zei Koos. ‘Is alles goed gegaan?’

‘Ja, gelukkig wel. Ik ben er vorige week zaterdag al geweest, ik kon meerijden met Wiebe en Vera. Zo fijn, even alle kinderen en kleinkinderen bij elkaar. Alleen zonder Evert…’

‘Die vrouw woont nu bij hem, wist je dat?’ zei Koos. ‘Of had ik dat beter niet kunnen zeggen?’ vroeg hij toen hij Franciens verschrikte gezicht zag.

Ze haalde haar schouders op. ‘Dat zou ik toch wel te weten gekomen zijn. Trouwens, we vermoedden het al. Gert-Jan en Merel kregen een felicitatiekaart van hem die hij niet zelf geschreven had.’

Dus Gerda was inderdaad bij Evert ingetrokken, ging het door haar heen. Dat was snel…

‘Sinds wanneer?’ vroeg ze toen.

Koos dacht even na. ‘Jij bent op maandag naar je nieuwe huis gegaan, en na drie dagen, dus donderdag, stond haar auto alweer voor de deur. Dinsdags vertrok ze weer, maar na een week was ze terug, en sindsdien is ze niet meer weg geweest. Af en toe maakt ze een praatje met Saar over het weer en zo, maar Saar houdt de boot een beetje af, die weet niet zo goed hoe ze met die nieuwe situatie om moet gaan. Evert zegt trouwens geen boe of bah als hij Saar of mij ziet. Niet dat hij daarvóór zo spraakzaam tegen ons was…’

Francien pakte het medicijnblad weer op. ‘Nou, ik moet weer verder met mijn rondje. Fijn om je even gesproken te hebben, Koos, doe je de groeten aan Saar?’

‘Doe ik.’ Koos zwaaide nog even en liep toen naar de uitgang.

De rest van haar dienst was Francien niet goed met haar gedachten bij haar werk. Steeds schoof een beeld van Gerda en Evert voor haar ogen. In háár huis. In háár keuken. In háár bed…

Ze schudde haar hoofd om die beelden te verjagen. Het wás haar huis niet meer, noch haar keuken, noch haar bed. Ze was zelf weggegaan. Ze had vrijwillig haar plaats naast Evert afgestaan. 

Het deed alleen zo’n pijn dat die plaats in een mum van tijd ingenomen was door Gerda…

[wordt vervolgd