[-41-
13 mei 2026 om 14:58Ze sloeg het dekbed van zich af en stapte uit bed. Beneden gekomen zette ze de waterkoker aan die ze al snel aangeschaft had. Even later zat ze met een glas rooibosthee op de bank. Ze staarde uit het raam. Het miezerde weer. De afgelopen dagen had ze steeds haar regenpak aan moeten trekken als ze naar haar werk of terug naar huis fietste, de herfst had al vroeg ingezet, al was het niet koud.
Vanaf morgen werd er gelukkig weer beter weer verwacht. Maar wat wás ze toch blij met die elektrische fiets! Het zou een stuk lastiger geweest zijn als ze die afstand steeds op haar gewone fiets had moeten afleggen.
Ze hoorde de torenklok vijf keer slaan en gaapte. Ze pakte de fleecedeken die altijd op de bank lag, ging liggen en trok de deken over zich heen. Misschien lukte het om nog een uurtje te slapen…
Ze werd alweer wakker van haar telefoon, die op de salontafel lag. Ze pakte hem met een slaperig gezicht op en keek hoe laat het was. Kwart voor acht? Dan was ze toch weer in slaap gevallen.
Het was Vera. ‘Goedemorgen, ma, van harte gefeliciteerd met je nieuwe kleindochter. Wat fijn dat alles goed gegaan is, hè?’
‘Ja,’ zei Francien, en ze gaapte hoorbaar.
‘Ik heb je toch niet wakker gemaakt?’ hoorde ze Vera geschrokken zeggen.
‘Geeft niks. Toen Gert-Jan me gebeld had, dacht ik dat ik toch niet meer zou kunnen slapen en ben ik naar beneden gegaan, maar ik ben blijkbaar toch weer op de bank in slaap gevallen.’
‘O, nou, sorry. Maar waar ik voor bel: je wilt graag op kraamvisite gaan, neem ik aan. Wil je morgen met ons meerijden? Volgende week zaterdag viert mijn vader zijn verjaardag, dus dan kunnen we niet, morgen kunnen we wel, dus we willen morgen maar meteen gaan. Ik weet niet of je moet werken dit weekend?’
‘Nee, ik ben dan vrij, dus als ik met jullie mee zou kunnen rijden, zou dat heel fijn zijn!’ zei Francien. ‘Hoe laat willen jullie gaan?’
‘Het is ruim twee uur rijden, dus we hadden bedacht om rond halftwaalf te vertrekken, broodjes mee te nemen voor onderweg, en dan ergens halverwege picknicken, dan zijn we daar rond een uur of twee, halfdrie. Kan dat voor jou? Dan komt Wiebe je om een uur of tien halen, en hij brengt je morgenavond ook weer thuis.’ ‘Dat zou geweldig zijn! Zal ik voor broodjes zorgen?’
‘Als je dat wilt, graag. Niet te gek maken, hoor! En blijf je dan morgenavond bij ons eten? We eten pannenkoeken.’
‘Lekker, die maak ik niet voor mezelf,’ lachte Francien. ‘Goed, afgesproken, ik zorg voor broodjes, en ik zie Wiebe wel verschijnen morgen. Tot morgenochtend.’
Ze legde met een glimlach haar telefoon terug op tafel en rekte zich uit. Hè, dat tukje had haar toch goed gedaan! En morgen al kon ze haar nieuwe kleindochter bewonderen!
De volgende morgen stond ze vroeg op en fietste al om halfacht naar de dichtstbijzijnde bakker. Ze kocht daar diverse broodjes, krentenbollen en een zak reuze eierkoeken, daar was Remco gek op, wist ze.
Ze had gistermorgen al een paar vershouddozen met verschillende soorten broodbeleg gevuld, en een doosje met plakjes komkommer. Dat was allemaal makkelijk mee te nemen in een tas, samen met de broodjes, ze moest alleen niet vergeten een paar messen mee te nemen voor bij de picknick.
Daarna werkte ze een poosje in de tuin. Met al die regen van de laatste weken schoot het onkruid weer omhoog.
Even voor tienen kwam Wiebe voorrijden. Francien stond al op de uitkijk. Ze pakte de twee tassen die al klaarstonden, plukte haar jas van de kapstok en stapte naar buiten.
‘Goedemorgen,’ zei Wiebe, ‘helemaal klaar voor de ontmoeting met je nieuwe kleindochter?’
‘Helemaal,’ lachte Francien. ‘Wat een mooi kindje, hè?’ Gert-Jan had gisteravond al wat foto’s op de app gezet.
‘Bijzonder, hoor, mijn kleine broertje die vader is geworden.’
‘Nou, klein… hij is langer dan jij.’
‘Maar hij blijft toch mijn kleine broertje,’ grijnsde Wiebe.
‘Het is weer druk richting Zeeland,’ constateerde Francien toen ze even later op de A58 reden.
‘Ja, allemaal mensen die nog even een weekendje aan het strand willen zitten,’ zei Wiebe. ‘Nou, zij liever dan ik. Ik vind het wel fijn om een eind langs het strand te lopen, lekker uitwaaien, maar om de hele dag in de zon te liggen bakken… Gelukkig denkt Vera er ook zo over.’
‘Daarin lijk je op opa Jobse. Als hij veel aan zijn hoofd had, ging hij ook altijd een eind lopen langs het strand, het liefst als het stormde. “Dan waaien mijn zorgen vanzelf weg,” zei hij altijd.’
‘Ik lijk denk ik ook meer op opa Jobse dan op opa Visser. Tenminste, dat hoop ik. Ik vond opa Visser altijd zo’n strenge man.’
Francien dacht terug aan haar schoonvader, die dertien jaar geleden overleed. Hij was inderdaad heel anders dan haar eigen vader. Pa Visser was een overheersende man, en haar schoonmoeder een kleine, schichtige vrouw die altijd op haar hoede leek.
‘Het leek altijd alsof opa Visser keek naar datgene wat je níét goed deed, en opa Jobse ziet juist wat je wél goed doet.’
Francien keek verbaasd opzij, getroffen door de rake vergelijking.
‘Dat heb je mooi verwoord, jongen,’ zei ze zacht.
[wordt vervolgd