[-40-
11 mei 2026 om 10:48Toen ze samen aan de thee zaten, vertelde Francien hoe het de vorige dag gegaan was, en dat ze zich zo welkom voelde in haar nieuwe huis. Josien vroeg niet naar Evert, en Francien was daar wel blij om.
Na het bezoek aan Josien wandelde Francien naar de supermarkt die er vlakbij lag, en kocht daar de benodigde boodschappen. Even later was ze weer op de terugweg. Als ze thuis was, zou ze naar de kinderen appen dat de fiets prima reed!
[HOOFDSTUK 11
Francien schrok wakker van haar telefoon. Ze knipte snel het nachtlampje aan, pakte het mobieltje van haar nachtkastje, zag dat het een video-oproep was van Gert-Jan en drukte op Antwoorden.
Daar verscheen het vermoeide maar breed lachende gezicht van Gert-Jan. Op de achtergrond hoorde ze een zacht babyhuiltje. De tranen schoten in haar ogen. De baby was er!
‘Jongen toch, hoe is het?’ stamelde ze.
‘Hier is alles goed. Je bent net oma geworden van een prachtige kleindochter. We zijn zó blij!’
‘Is alles goed gegaan?’
Gert-Jan knikte. ‘Merel heeft het fantastisch gedaan! Ze heeft het wel zwaar gehad, zeker op het laatst, ik voelde me zo machteloos. Maar zodra het kindje er was, knapte ze op.’ Hij draaide de telefoon even naar Merel toe, die zwaaide. In haar armen had ze een bundeltje waaruit een klein handje omhoogstak. ‘Dag ma! Gefeliciteerd met je nieuwe kleindochter! Het is een schatje, kom maar gauw kijken!’
Daar verscheen het gezicht van Gert-Jan weer. ‘Ja mam, kom maar gauw kijken, ze is zó mooi!’
‘Hoe heet ze, en hoe zwaar is ze?’ vroeg Francien.
‘Ze heet Yara Francina Maria. We vonden Yara gewoon een mooie naam, en de andere twee namen zijn van de beide oma’s.’
‘Wat een bijzondere naam,’ zei Francien. Ze zei de naam zachtjes voor zich heen: Yara. ‘En wat lief dat jullie mij vernoemd hebben. Hoe zwaar is ze?’
‘Bijna zeven pond, op vijftig gram na. Ze heeft een hele bos haar, net zo donker als Merel, en ze kijkt al zo helder uit haar oogjes, echt heel bijzonder!’ Gert-Jan straalde helemaal.
Francien glimlachte. Ze herinnerde zich Wiebes telefoontje toen Remco geboren was, hun eerste kleinkind. Wiebe was toen ook zo enthousiast geweest over zijn zoon.
Ze dacht terug aan de geboorte van Wiebe. Was Evert toen ook zo blij en vrolijk en trots en enthousiast? Ze wist het niet meer. Ze wist nog wel dat ze geen genoeg had kunnen krijgen van het kijken naar haar eerstgeborene, hoe volmaakt ze hem vond, hoe zijn kleine handje haar vinger had vastgepakt, hoe zacht zijn wangetjes waren en dat ze die steeds maar wilde kussen. Evert was wel bij de bevalling geweest, maar vreemd genoeg kon ze zich zijn aanwezigheid in de kraamkamer niet meer voor de geest halen. Was ze zo vol geweest van Wiebe dat ze geen aandacht had gehad voor Evert?
Evert. ‘Ga je je vader ook bellen?’ vroeg ze.
‘Dat zal moeilijk gaan nu hij ons geblokkeerd heeft, we sturen hem wel een geboortekaartje,’ zei Gert-Jan. ‘En dan zien we wel of en hoe hij daarop reageert.’ Francien was even stil.
‘Wanneer kun je komen?’ vroeg Gert-Jan toen. ‘Als je met de trein komt, kan ik je wel van het station halen.’
Francien dacht even na. Het was nu vrijdag, vandaag had ze een middag-avonddienst, maar het weekend was ze vrij. Misschien kon ze wel meerijden met Wiebe en Vera als die op kraamvisite gingen.
‘Ik moet vandaag werken, maar het weekend ben ik vrij. Ik zal aan Wiebe en Vera vragen of ik met hen mee kan rijden, en hebben die dit weekend andere plannen, dan kom ik morgen met de trein.’
‘Fijn, laat het maar weten,’ zei Gert-Jan. ‘Nou, ik ga de andere opa en oma bellen, hopelijk tot morgen, mam.’ Hij sloot het gesprek af.
Francien keek hoe laat het was. Kwart voor vijf. Eigenlijk te vroeg om op te staan, maar ze kon nu vast niet meer slapen.
Ineens miste ze Evert naast zich. De afgelopen drie weken in haar nieuwe huis was ze van lieverlee gewoon geraakt aan een ritme zonder Evert, zonder hem ’s morgens te hoeven roepen, zonder ’s avonds op hem te zitten wachten. En de nachten had ze de laatste vier maanden toch al alleen geslapen, daar was ze inmiddels wel aan gewend. Maar nu, met dat blije nieuws dat ze zo graag met hem had willen delen, zoals ze dat bij de geboorte van hun andere kleinkinderen gedaan had, nu miste ze hem ineens.
Ze dacht aan wat Gert-Jan had gezegd, dat ze hem wel een geboortekaartje zouden sturen, ‘en dan zien we wel of en hoe hij daarop reageert’. Dat zou hij toch wel doen?
Haar gedachten gingen toch weer zijn kant op. Hoe zou het met hem zijn? Redde hij het in z’n eentje? Met het opstaan, het eten, de was, de boodschappen. Of wás hij niet meer in z’n eentje, was Gerda bij hem?
Ze zuchtte. Kon ze nu niet eens meer aan Evert denken zonder dat die Gerda steeds weer haar gedachten binnendrong? Alsof zij al helemaal bij hem hoorde?
Ze schudde haar hoofd. Ze kon maar beter opstaan, slapen deed ze nu toch niet meer, en hier gaan liggen piekeren over Evert en Gerda terwijl ze zoveel mooiere en fijnere dingen had om aan te denken, was geen goed idee. Er was een gezonde kleindochter geboren! Ze dacht aan het jurkje dat inmiddels klaar was en prachtig geworden was. Zou Merel het ook mooi vinden? Vast wel.
[wordt vervolgd