Afbeelding
Elles Tuhusula

‘Terug in [samenleving] die me niet begreep’

15 mei 2026 om 12:43

Theo van de Brug, secretaris van Stichting Veteranen Barneveld, maakte Wout op de dag van de lintjesregen wijs dat iemand hem wilde interviewen. ,,Dit zou bij het gemeentehuis zijn. Hij kwam mij met zijn auto ophalen, maar toen reden we naar het Schaffelaartheater. Daar zag ik bekende mensen en toen begreep ik wat er aan de hand was. Ik vond het een eer dat ik de onderscheiding kreeg. Het ontroerde me toch wel toen de burgemeester opnoemde wat ik gedaan heb.”

KORPS MARINIERS Wout werd geboren in het Betuwse Ingen, maar verhuisde met zijn ouders na drie jaar naar Barneveld. ,,Eerst kwamen we nog een tijdje in Ermelo terecht, omdat ze in de oorlog de Betuwe onder water hadden gezet. Ik kan me het laatste stukje van de oorlog nog goed herinneren. Toen ik een jaar of vijf was beschoten de Engelsen de treinen die naar Duitsland probeerden te komen. Ik weet ook nog dat de Duitsers in Barneveld het abattoir uit vluchtten.”

Het gezin Timmer, met vijf jongens en één meisje, kwam aan het Julianaplein te wonen, een wijkje dat van de spoorwegen was, ook wel het ‘rode dorp’ genoemd omdat conducteurs met een rode pet op liepen. Wouts vader was bakker en ging werken bij Van de Brink, later ging hij zelf met brood langs de weg venten. Vervolgens kwam hij in dienst voor de Aku (later Akzo) in Ede.

,,We hebben nooit armoede gehad, want er was natuurlijk altijd brood op de plank. Helaas is mijn vader maar 58 jaar geworden, omdat hij leukemie kreeg. Vroeger was er helemaal niks aan kanker te doen.”

De christelijke Julianaschool was de plek waar Wout les kreeg, waarna hij een lascursus volgde en kraanmachinist werd. Vóór die tijd vervulde hij de militaire dienstplicht, waarvoor hij een opleiding kreeg bij het Korps Mariniers in Doorn. Vervolgens ging hij anderhalf jaar in deze functie aan de slag in Nieuw-Guinea. ,,Ik was negentien jaar en niet op de hoogte van de geschiedenis, maar daar kwamen we wel achter toen we daar waren. Het was toen een overblijfsel van Indonesië en een rijksdeel van Nederland. Dit was een laatste stukje van een koloniaal bewind. Hier stond de gouverneur Platteel aan het roer, die later burgemeester in Ede werd.”


PAPOEA Als marinier maakte Wout onderdeel uit van een verkenningseenheid. ,,We werden de bush ingestuurd om infiltranten op te sporen. Dat waren Indonesische parachutisten die we gevangennamen. Bovendien moest de Papoea-bevolking niets van ze weten. Het was gewoon de vijand die binnenviel en dat escaleerde weleens. Op dat moment denk je dat het zinvol is wat je doet, maar achteraf gezien zijn we allemaal voor het blok gezet. Het was een rijk land, met olie, goud, kolen en bauxiet en daar wilden Nederland en andere landen van profiteren. De belangen waren groot. Het wrange is dat daardoor gewelddadige dingen zijn gebeurd die niet nodig waren geweest. Het heeft mensenlevens gekost. De Papoea-bevolking was een eigen staat beloofd, maar dat is niet gebeurd. Dat heb ik me pas later tijdens twee reisbezoeken gerealiseerd.”

De marinier zegt dat hij in die tijd te veel geweld meemaakte, waar hij niet over wil uitweiden. ,,Ik wil geen oude gebeurtenissen oprakelen, want ik leef nú. Wel kom ik nog steeds op bijeenkomsten van veteranen en zo ga ik ook al jaren naar Bevrijdingsdag in Wageningen, waar ik meeliep in het defilé. Tegenwoordig kan ik dat helaas niet meer volhouden. Ik zou het mooi vinden als Bevrijdingsdag een nationale vrije dag werd voor iedereen. Bij de Dodenherdenking leg ik een krans.”

Vandaag de dag ziet Wout met lede ogen aan hoe er in Europa gereageerd wordt op bedreigingen. Hij vraagt zich af of mensen wel beseffen hoeveel de vrijheid waard is. ,,Het is niet vanzelfsprekend. Ze hebben de krijgsmacht de afgelopen jaren afgebroken, maar je ziet hoe snel het kan veranderen in de wereld. Kijk maar naar Oekraïne. Nu hebben we de wapens en militairen weer nodig.”


LIEF EN LEED Na terugkomst vanuit Nieuw-Guinea viel het niet mee voor Wout om weer te wennen in Nederland. Hij probeerde terug te komen in het metaalbedrijf bij zijn oude werkgever. ,,Ik kwam terug in een samenleving die me niet begreep en ik kreeg minder loon dan in de tijd vóór Nieuw-Guinea. Ik werd niet geaccepteerd. Dat is ook de ervaring van Amerikaanse soldaten die in Vietnam hadden gevochten. Daar heb ik veel moeite mee gehad.”

Daarom ervaart Wout de bijeenkomsten van de organisaties Contact Mariniers Gelderland en Stichting Veteranen Barneveld als een warm bad. Hij was hier vijftig jaar nauw bij betrokken. ,,Ik behoorde tot de oprichters van de Barneveldse stichting. Dit jaar is 13 juni de volgende Veteranendag, met een live-band, een kinderspeelplek en een rondrit.”

Hij legt uit dat veteranen allemaal iets met zich mee dragen wat ze niet naar buiten brengen, maar wel bij elkaar kwijt kunnen. ,,We proberen ook een paar avonden bij elkaar te komen in het Veteranencafé bij De Elstar op de Harselaar, waarvoor we gastsprekers uitnodigen. Daar komen dan allerlei veteranen, die bijvoorbeeld gediend hebben in Afghanistan of Bosnië. Van onze groep uit Nieuw-Guinea zijn wij de laatsten der Mohikanen, want daar zijn er - naast mij - nog maar twee van over. Bij de Gelderse Mariniers zat ik vanaf het begin bij de onderafdeling Noord-Veluwe. Een jaar of zes heb ik ook met de club van lief en leed opgetrokken en heb ik me ingezet voor sponsoring. Dan gaat het vooral om de erewacht bij begrafenissen van veteranen.”

Wout verklaart dat hij geen last van PTSS heeft gehad. Toch werd hij jaren na zijn tijd in Nieuw-Guinea ’s nachts weleens badend in het zweet wakker. ,,Dat komt tussen je vijftigste en zestigste jaar weer boven en dan krijg je nachtmerries. In het dagelijkse leven heb ik er gelukkig geen last van gehad. Ik ben bij een bank gaan werken, ik deed daar technisch werk voor kantoren.”


SNOEKBAARS Wout stapte in het huwelijksbootje met Tinie, met wie hij intussen al zestig jaar getrouwd is. Zij komt uit de kop van Overijssel en werkte in Barneveld in de ouderenzorg. Samen kregen ze drie kinderen (Marie-Jon, Christof en Carola), plus vier kleinkinderen. Sinds een kleine acht jaar wonen ze met veel plezier aan het Roemer Visscherpark.

Op jonge leeftijd mocht Wout al aan de waterkant zitten om te vissen. Hij noemt zichzelf een natuurmens en ging vaak naar viswater in de polder. ,,Dan ging ik met een maatje naar snoekbaars, baars en snoek vissen. De grootste die ik ving was één meter en twee centimeter. Daarbij gebruikte ik een werphengel. Elke keer kocht ik weer een nieuwe. In de huidige hengelsport zou ik niet meer meekomen, omdat daar enorm veel techniek bij komt kijken.”

Wout sloot zich aan bij de Hengelsportvereniging Barneveld met destijds duizend leden. Twaalf jaar bekleedde hij hier een bestuursfunctie. Zo werkte hij mee aan de organisatie van viswedstrijden. Bovendien stortte hij zich op het beheer van de water- en visstand in de regio, waarvoor hij eind jaren zeventig een cursus volgde, met oog op de kwaliteit van het water. ,,Door het baggeren van slib bijvoorbeeld. Daar moest je natuurlijk subsidie voor aanvragen om dat te kunnen betalen.” Dan gaat het om de beken, het Aanschotergat bij Voorthuizen en de Juliusput bij Terschuur. ,,Die put werd gepacht door allerlei artiesten. Hier kwam ik Willy Alberti weleens tegen. Nee, hij zong geen liedjes, want hij zat te vissen”, vertelt Wout lachend. Een verwoed vissersmaatje is Gert van de Kraats en dat is iemand die Wout nog weleens ziet.


BALLON EN MOTOR Een andere tak van sport voor Wout is de Ballonfiësta, waarvoor hij 23 jaar de handen uit de mouwen stak. Toen hij in 2001 met pensioen ging, werd hij een jaar later gevraagd om zorg te dragen voor de verkeersveiligheid en het parkeren tijdens dit grote evenement. ,,Vroeger moesten we zelf de bebording plaatsen, maar tegenwoordig doet een verkeersbureau dit, om de verkeersstromen in goede banen te leiden. Er zijn steeds meer regels gekomen.” Omdat de Barnevelder hier ervaring mee opdeed, werd hij onlangs gevraagd om binnenkort het verkeer te gaan regelen bij een haringparty. ,,Ze weten me nog wel te vinden.” Wat betreft de ballonvaart maakte Wout ook deel uit van een crew die ervoor zorgt dat de ballon wordt opgebouwd en afgebroken. Hij hield van dit avontuur en ook van de passagiers met wie hij te maken had.


Tot slot kreeg Wout zijn onderscheiding voor zijn inzet bij een historisch motorevenement: het Rennerskwartier HME Classic Grand Prix. Hier was hij coördinator van de veiligheid en de eerste keer deden er 35 coureurs mee. ,,Ik ben van huis uit een motormuis.” Wout reed op allerlei motoren, van Jawa tot Sparta en Honda. Als hij op een motorfiets toert, ervaart de Barnevelder de ultieme vrijheid. ,,Ik reed elke week wel een ritje.” Wat betreft de Grand Prix ging het om klassieke motoren die vroeger tijdens de TT in Assen hoge ogen gooiden. ,,Hier kwam ik op veertienjarige leeftijd al met mijn vader om te kijken naar die races.” Hij herinnert zich motorhelden als Giacomo Agostini, Phil Read en Wil Hartog - ‘De Witte Reus’. Zelf nam Wout hobbymatig ook deel aan wedstrijden. Eén keer kwam hij flink ten val, maar hier kwam hij toch goed vanaf, op wat schaafwonden na. Dit was met een Puch, weet hij nog.


De gezondheid van Wout Timmer laat vandaag de dag soms te wensen over, maar de decorandus kijkt terug op een actief leven én sinds kort een onderscheiding.

Wout Timmer kreeg de koninklijke onderscheiding in het Schaffelaartheater. ,,Het ontroerde me toen de burgemeester opnoemde wat ik gedaan heb.
Afbeelding