[-36-

6 mei 2026 om 14:34


Na een poosje werden de uithalen minder diep. Ze zocht in haar vestzak naar een zakdoek en depte haar ogen, terwijl ze nog zacht nasnikte. Daarna haalde ze diep adem en zei hardop: ‘Hèhè, dat lucht op.’

Het mannenkoor was inmiddels aan een andere psalm begonnen.

Ze stond op en liep naar de keuken, waar ze voor zichzelf een glas water inschonk. Ze dronk het met gulzige slokken leeg, schonk opnieuw het glas vol en nam het mee naar de kamer. Daar ging ze weer aan de tafel zitten, klaar om verder te puzzelen. Maar ze bedacht iets, stond weer op, zette de cd stop, en drukte toen weer op Play. Daarna spoelde ze de cd door tot de bewuste psalm. Ze ging weer aan de tafel zitten en zong even later met vaste stem het laatste vers mee. Dit keer voelde ze geen verdriet, maar ervaarde ze door het zingen vooral de troost die het lied haar altijd bood.

[HOOFDSTUK 10

Het ging steeds harder regenen, dus bleef Francien die dag binnen en genoot ze van het puzzelen. Tussen de middag maakte ze een paar boterhammen met kaas en dronk daar een beker melk bij, en ’s avonds bakte ze een paar eieren met tomaat en ui, lekker gemakkelijk. Wiebe zou rond zeven uur komen, ze zette om kwart voor zeven alvast het koffiezetapparaat klaar, dan hoefde ze alleen maar de knop in te drukken zodra Wiebe er was.

Even over zeven hoorde Francien wat gestommel bij de achterdeur. Ze stond op en liep naar de bijkeuken. Verbaasd keek ze naar Wiebe, die met een brede grijns op zijn gezicht een gele fiets vasthield.

‘Wa… wat is dat?’ vroeg ze. ‘Dat is nou een fiets, mam,’ lachte hij. ‘Ja, dat zie ik, maar… dat is niet de mijne.’

‘Vanaf vandaag wel,’ zei Wiebe. ‘Cadeautje, van ons allemaal, dus van de kinderen en de kleinkinderen, én van opa en oma, van tante Paulien en oom Marcel, en van oom Thijs en tante Norma. Je moet vanaf hier een stuk verder naar je werk rijden, en met de herfst en de winter in aantocht leek het ons fijner voor jou om een elektrische fiets te hebben. Dat scheelt een stuk als je wind tegen hebt.’

‘Nou, wat lief!’ riep Francien uit. De tranen schoten in haar ogen. ‘Ik had vandaag alvast een route uit willen stippelen hoe ik op mijn werk moest komen, maar door die miezerregen had ik dat doorgeschoven naar morgen. Ik heb heel de middag zitten puzzelen.’

‘Lekker toch?’ zei Wiebe. ‘Dan kun je morgen gelijk kijken hoe het fietsen op een elektrische fiets bevalt. Kom ’es even naast de fiets staan, mam, dan kan ik zien of het zadel op de juiste hoogte staat. Het is geen nieuwe, maar we wilden liever een goede tweedehandse dan een goedkope nieuwe.’

Francien streek met haar hand over het stuur. ‘Hij is prachtig!’ Ze aarzelde even. ‘Fietst dat niet eng, een elektrische fiets?’

Wiebe lachte. ‘Nee hoor, mam, dat fietst nauwelijks anders dan een gewone. En als je deze eenmaal gewend bent, wil je vast niets anders meer. Het enige verschil met je gewone fiets is dat je niet moet vergeten regelmatig de accu op te laden, want met een lege accu fietst hij wel zwaarder dan anders.’

Hij hield de fiets stevig vast terwijl Francien voorzichtig op het zadel ging zitten en haar ene voet op een trapper zette.

‘Ik zie het al, nog een klein stukje omhoog.’ Hij pakte een stuk gereedschap uit zijn jaszak en verstelde het zadel een klein stukje. ‘Ziezo, ik denk dat het zo wel goed is. Probeer hem morgen maar uit, als het nog niet goed zit, hoor ik het wel. Waar zal ik hem zetten, in het schuurtje?’

Francien schudde haar hoofd. ‘Nee, laat hem maar in de bijkeuken staan. Dat schuurtje staat helemaal achter in de tuin, en als kwaadwillende mensen weten dat daar zo’n mooie fiets staat, is hij zo verdwenen. De bijkeuken is groot genoeg, daar past die fiets wel bij.’ Wiebe deed voor hoe ze de accu moest opladen, en daarna gingen ze naar de kamer voor een kopje koffie. Wiebe bewonderde de puzzel en wist zowaar zelf ook nog een stukje te vinden.

‘Hoe was het vanmorgen?’ vroeg hij toen ze aan de koffie met een stukje kersenvlaai zaten. ‘Heb je pa nog gesproken?’

Francien schudde verdrietig haar hoofd. ‘Gisteravond had ik hem gezegd dat ik vanmorgen om halfnegen opgehaald werd door tante Paulien, en of ik later nog een keer langs kon komen als ik wat vergeten was mee te nemen. Hij zei dat ik de sleutel thuis moest laten en dat ik maar moest aanbellen als ik nog wat nodig had. En vanmorgen ging hij al voor halfacht de deur uit, zonder gedag te zeggen.’

‘Typisch pa,’ zei Wiebe wat schamper.

‘Tja.’ Francien haalde haar schouders op. ‘Ik hou me maar vast aan de goede tijden die we ook samen gehad hebben.’

Wiebe zei niets, maar zijn gezicht sprak boekdelen.

Toen hij zijn koffie ophad, sprong hij overeind. Hij haalde de boormachine en schroeven en pluggen uit de auto en vroeg: ‘Wat zal ik eerst doen, mam? De schilderijtjes en foto’s ophangen?’

Francien stond op en pakte een doos met wat lijstjes die ze graag opgehangen wilde hebben. Ze wees Wiebe waar het een en ander moest hangen. Boven de bank in de woonkamer kwam een fleurig schilderij dat ze eens van Kristel had gekregen, en wat foto's van de kleinkinderen. Boven in haar slaapkamer kwamen wat schilderijtjes die vroeger op haar slaapkamer thuis hingen en die ze mee had genomen toen ze trouwde. De schilderijtjes hadden sindsdien altijd de babykamer gesierd, en daarna op Lottes kamer gehangen, tot die het huis uit ging. Daarna had Francien ze opgeborgen.

[wordt vervolgd