
‘Ook stilstaan bij [vergeten oorlogsslachtoffers’
8 mei 2026 om 13:22Maandag jongstleden werden overal in ons land de tijdens de Tweede Wereldoorlog om het leven gekomen burgers en - soms elders - gesneuvelde militairen herdacht. De rijksoverheid preciseerde deze als volgt: ‘Tijdens de Nationale Herdenking herdenkt Nederland allen – burgers en militairen – die in het Koninkrijk der Nederlanden of waar ook ter wereld zijn omgekomen of vermoord; zowel tijdens de Tweede Wereldoorlog en de onafhankelijkheidsoorlog in Indonesië, als in oorlogssituaties en bij vredesoperaties daarna.’
Al vele jaren bezoek ik jaarlijks die herdenking in Barneveld; eerst bij het oude, op de begraafplaats staande monument waar de gesneuvelde Canadese militairen worden geëerd en later natuurlijk bij het grote oorlogsmonument en die andere kleinere monumenten voor de voor aparte groepen die tijdens oorlogen en conflicten de dood vonden.
Zolang hij het kon bezocht ook mijn vader deze jaarlijkse plechtigheid en liep hij, soms met mijn zusje en mij mee in de lange, stille stoet die vanaf de Amersfoortsestraat en de toen nog bestaande Kerkhoflaan naar de oude ingang van de begraafplaats leidde. Daar, voor het monument stond hij dan ook stil bij het sneuvelen van zijn 25 collega’s, inmiddels bij vrijwel iedereen vergeten oorlogsslachtoffers. Een eigen monument hebben zij, voor zover ik weet, nooit gekregen.
HET BEGIN Het tijdelijke Militair Gezag stelde in de herfst van 1944 twee mannen - de eerste was gewestelijk inspecteur van het brandweerwezen en de laatste gewestelijk inspecteur van de Luchtbescherming – aan om de Luchtbeschermingsdiensten (LBD’s) te reorganiseren en nieuw personeel op te leiden. Deze twee nieuwe hoofdinspecteurs gingen voortvarend aan de slag en begin februari 1945 werden 14 leidinggevende functionarissen naar Engeland gestuurd om zich daar van de organisatie van Civil Defence op de hoogte te stellen. Daarnaast kregen 50 manschappen er een cursus. De medewerkers van de Luchtbeschermingsdiensten kregen een donkerblauwe 'battle dress' en de beschikking over zo’n 80 vrachtwagens, veelal Engelse Bedfords en andere Rescuewagens, waarvan de Austin ‘belwagen’ mij het meest is bijgebleven. Het hoofdkwartier van de latere HVD was gevestigd in Venlo.
VUGHT Na de bevrijding van de rest van Nederland was er daar behoefte aan professionele hulp. Op 2 juli 1945 werd in Vught, waar al een bureau Hulpverlening was opgezet, een grote colonne samengesteld om hulp te gaan bieden aan het zwaar getroffen Arnhem. De 67 man sterke eenheid had de beschikking over 17 vrachtwagens en stond onder commando van het hoofd van de Vughtse LBD, de heer A.A. van der Horst. Een van de deelnemers aan deze expeditie was mijn vader, C.J.A.M. Crebolder, die tot aan zijn onderduikperiode (november 1942-augustus 1944) hoofdinstructeur bij de Nederlandse Vereniging voor Luchtbescherming was geweest. Later kwamen andere plaatsen en gebieden aan de beurt zoals Zeeland, Venlo, Breda en het Land van Heusden en Altena waar puin werd geruimd en explosieven onschadelijk werden gemaakt.
BURGERLIJKE DIENST De datum 2 juli 1945 wordt beschouwd als de eerste dag van het daadwerkelijke optreden van de (Rijks) Hulpverleningsdienst die toen overigens ‘Burgerlijke Dienst’ werd genoemd. Het eerste half jaar waren de werkzaamheden voor alle gevormde colonnes nagenoeg van dezelfde aard. Huizen die verwoest waren, werden vakkundig gesloopt, gevaarlijke gevels omgetrokken, lijken werden geborgen en vele honderden kadavers van koeien, paarden en ander vee geruimd. Tenslotte kwam ook het gevaarlijkste deel van het werk aan bod: het ruimen van munitie. Bij die laatste taak zouden uiteindelijk enkele tientallen BD’ers (zwaar) gewond raken of zelfs om het leven komen.
De bevolking van Arnhem, Oosterbeek en Renkum had medio september 1944 op last van de Duitse bezetter hun huizen verlaten waarna, tijdens de ‘Slag om Arnhem’ grote delen van de stad werden beschoten en de HVD opdracht kreeg daar maar eens stevig schoon te gaan maken. Het moet, volgens ooggetuigen, waaronder mijn vader, een vreselijke klus zijn geweest. Buiten die dorpen en steden in de provincies lag het platteland bezaaid met onontplofte bommen, munitie en mijnen. Daardoor vonden er in de eerste weken na de bevrijding van ons hele land, gemiddeld 48 dodelijke ongelukken per dag plaats.
SPRINGPLAATS De 4de februari 1946 werd de officiële oprichtingsdatum van de HVD. Deze was organisatorisch verdeeld in afdelingen met afdelings-, groeps- en ploegcommandanten. In totaal telde de dienst in die beginperiode 330 man. Met ruim zestig trucks werden er vele tonnen explosieven afgevoerd en vernietigd. Dat gebeurde op een springplaats bij Vredepeel in Limburg. Vanuit Amsterdam, maar ook wel vanuit Barneveld, werden later explosieven voor opslag afgevoerd naar een voormalig Duits bunkercomplex in IJmuiden. Deze werden vervolgens bij eb de zee ingereden en bij vloed – onder water- tot ontploffing gebracht. Op de Midden-Veluwe werd bij voorrang een gebied van plusminus 80 km² schoongemaakt en alle daar aangetroffen explosieven geruimd. De noodzaak daartoe was groot; in dit gebied werden de oorlogsvrijwilligers (OVW’ers) opgeleid die Nederlands-Indië zouden gaan bevrijden. De Jan van Schaffelaarkazerne in Ermelo werd de uitvalbasis voor het vrijwilligersbataljon I-8 RI die al snel de bijnaam ‘De Haantjes’ kreeg met een knipoog naar de pluimveehouderijen in het gebied.
OPLEIDINGSSCHOOL De Barneveldse Courant van 22 juli 1950 bevatte het volgende bericht: ‘In het kasteel ‘De Schaffelaar’ wordt hard gewerkt sinds het leeg staat. Het wordt aanzienlijk opgeknapt en zal binnenkort waarschijnlijk dienst gaan doen als opleidingsschool voor politie, brandweer en luchtbescherming, dat wil zeggen: hier worden dan de leidinggevende personen op dit gebied gevormd.’ Dat werd de Stafschool Bescherming Bevolking (BB), welke ressorteerde onder de hoofdafdeling Openbare Orde en Veiligheid van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, met als hoogste ambtenaar mr. F.R. Mijnlieff.
Behalve opleidingsinstituut werd ‘De Schaffelaar’ nu tevens de thuisbasis voor de HVD. De situering van het hoofdkwartier in Venlo werd, na de bevrijding van ons hele land, te excentrisch geacht en daarom werd voor Barneveld gekozen. De dienst kende vanaf die tijd officieel een afdeling Barneveld, die naast de provincie Gelderland ook de noordelijk gelegen provincies omvatte. Het commando berustte bij kapitein A.H. Drent. Schuin links achter het huis werd een nissenhut geplaatst en verrezen twee schuren of mogelijk garages. Daarnaast werd een ‘ruïne’ gebouwd waar later les werd gegeven in het redden van slachtoffers van een bomaanval.
BAKEMA Het aantal meldingen was begin jaren vijftig groot. Zo ontving de afdeling Barneveld in 1951 gemiddeld 48 aanmeldingen per week. Als het voor de veiligheid tijdens het vervoer vereist was, werd de munitie ter plaatse gedemonteerd en – als het helemaal niet anders kon – ter plekke tot ontploffing gebracht. Bij die demontages vielen nog jaarlijks slachtoffers. In dit verband voerde cabaretier Henk Elsink tijdens een van zijn voorstellingen in 1971 als brigadier Terpstra met een zekere Bakema een telefoongesprek voerde terwijl deze bezig was met de demontage van een oude oorlogsbom vlak bij een telefooncel. Terpstra: ‘Zolang ’t ding tikt is er niks aan de hand Bakema. (…). Die twee draden mag je niet met elkaar verwarren. De ene is grijsgroen en de ander groengrijs…. Bakema! Bakema…! Zeker opgehangen’. De sketch, later ook als langspeelplaat uitgebracht, kon bij ons thuis niet altijd op succes rekenen. Eerst na 1957 nam het aantal dodelijke slachtoffers duidelijk af. De volledige overdracht en de opheffing van het Korps Hulpverleningsdienst bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken vond pas plaats per 31 december 1972.Vanaf die tijd werd het ruimen van explosieven uitsluitend de taak van de EOD.
EOD Bij de oprichting van de militaire Explosieven Opruimingsdienst (EOD) kregen de medewerkers van de HVD de keus: de EOD of in dienst treden bij de Bescherming Bevolking in Barneveld, een vanaf toen onder het ministerie van Binnenlandse Zaken (BiZa) opererende dienst. Voor mijn vader was die keuze gemakkelijk; hij stapte over naar de in huize ‘De Schaffelaar’ ondergebrachte Stafschool Bescherming Bevolking. De benaming EOD is inmiddels veranderd in Explosieven Opruimingscommando van de Koninklijke Landmacht (EOCKL) en is gevestigd in Culemborg. De werkzaamheden bleven hetzelfde ofschoon de dienst nu vaak bij ‘moderne’ bommeldingen wordt opgeroepen waarbij het dan vaak gaat om plofkraken of intimidaties waarbij (hand)granaten aan deurknoppen en zo worden gehangen.




