[-33-
4 mei 2026 om 13:09‘Fijn,’ had Paulien gezegd toen ze hoorde dat Francien een woning in Middelburg zou krijgen, ‘dan zit je lekker dicht bij ons in de buurt, altijd makkelijk als je hulp nodig hebt.’
Morgenavond lag ze in een ander bed, ging het door Francien heen. Dat zou toch wel vreemd zijn. Een ander bed, ander beddengoed dat vast anders rook dan haar eigen vertrouwde beddengoed. Ze zou andere geluiden horen, misschien wel blatende schapen.
Ze zou een ander soort leven krijgen. Niet meer elke ochtend drie keer Evert roepen en zijn ontbijt klaarmaken. Niet meer schoon goed voor hem klaarleggen. Niet meer zijn bed verschonen. Niet meer samen met hem eten. Maar ook: niet meer die ijzige stilte tussen hen tweeën. Niet meer altijd de schaduw van Gerda op de achtergrond. En misschien zelfs niet meer dat gevoel van eenzaamheid, dat ze nu voelde als ze samen met Evert in één ruimte zat. Ze zou straks alleen zijn in haar huisje, natuurlijk, en daar zou ze aan moeten wennen. Het zou een leven zonder Evert zijn, maar ze had haar kinderen, haar kleinkinderen, haar ouders, haar broer en zus, haar vriendinnen. En bovenal zou God haar niet alleen laten, dat wist ze zeker.
Ze zette de inmiddels lege beker op het nachtkastje, deed het nachtlampje uit en kroop onder het dekbed. Morgenavond lag ze in een ander bed. Ze keek ernaar uit.
De volgende morgen hield Francien voor de laatste keer haar vaste ochtendritueel. Toen ze om zeven uur naar boven liep om Evert voor de laatste keer te roepen, was hij zowaar al in de badkamer bezig. Ze haalde zijn ontbijtspullen uit de logeerkamer en nam ze mee naar de keuken. Even later kwam Evert de trap af. Hij liep meteen door naar de kapstok, pakte zijn jas en zijn tas, en liep zonder iets te zeggen de deur uit.
Francien had feitelijk niets anders verwacht, en toch deed het zeer.
‘Dag Evert,’ zei ze zacht. ‘Bedankt voor het goede dat er ook was.’
Ze schudde haar hoofd. Ze moest aan de slag, straks stond Paulien voor de deur.
Ze had vanmorgen bij het opstaan haar bed al afgehaald en er schoon beddengoed op gelegd. Beneden had ze de laatste was in de wasmachine gedaan, ze had nog tijd genoeg om die te draaien. Ze zou de was niet buiten hangen maar op de lijnen in de bijkeuken, want er werd wat motregen verwacht vandaag. Ze had nooit een droger willen hebben, en droogde de was altijd zoveel mogelijk buiten, en verder aan de lijnen in de bijkeuken. Wat Evert er nu verder mee deed, was aan hem.
Om vijf voor halfnegen was alles gedaan. De keuken was aan kant, de was was opgehangen, de dozen met de spullen die mee moesten naar Middelburg stonden in de gang. Francien liep naar het schuurtje en pakte haar fiets, die ze door de poort naar voren reed.
Buurman Koos liet net de hond uit. Francien had hem en Saar al ingelicht dat ze vandaag zou vertrekken.
Koos stak haar een hand toe. ‘Het ga je goed, Francien. We zullen je missen. Verdrietig toch dat het zo moest lopen.’
Francien drukte zijn hand. ‘Ja, verdrietig. Dank je wel, Koos, voor al je goede zorgen, voor je hulp, en…’ Ze kon even niet meer verder praten.
Koos legde een hand op haar schouder. ‘Het is al goed. We hebben altijd een beste buur aan je gehad. Dus jij ook bedankt, en een goede tijd in Middelburg. Laat je nog eens wat van je horen?’
Francien knikte. ‘Dat doe ik. Wie weet komen we elkaar nog eens ergens tegen. Doe je de hartelijke groeten aan Saar?’
‘Doe ik. Dag Francien.’ Hij floot zijn hond en liep de straat in.
Terwijl Francien hem nakeek, zag ze de auto van Paulien de straat in rijden. De auto stopte voor het huis, en Paulien stapte uit.
‘Ben je er klaar voor?’ ‘Helemaal,’ zei Francien. En zo voelde het ook. Ze laadden de dozen in de auto, en daarna bond Paulien de fiets op de fietsendrager. Francien sloot het fietsenschuurtje af, en daarna de achterdeur, en hing beide sleutels aan het daarvoor bestemde haakje boven de deur. Daarna wierp ze nog één blik in de keuken en de kamer. Had ze alles?
Aan de muur boven het dressoir hing een fotocollage met daarin foto’s van de kinderen en de kleinkinderen. Francien had die vorig jaar voor haar verjaardag gekregen. Ze had de fotocollage mee willen nemen, maar had uiteindelijk besloten om die te laten hangen. Zij en Evert stonden er zelf niet op, en het waren toch ook Everts kinderen en kleinkinderen, al hield hij nu zelf het contact af. Wie weet deed het zien van die foto hem toch nog wat, en zou hij het contact met zijn kinderen ooit weer op willen nemen.
Ze pakte haar jas van de kapstok, liep naar buiten en sloot de deur af. Voor haar gevoel sloot ze hiermee ook haar tijd in dit huis af. Daarna gooide ze de sleutel door de brievenbus, in de verwachting dat Evert die vanavond wel zou vinden.
Paulien zat al achter het stuur. Francien ging naast haar zitten.
‘Gaat het wel?’ vroeg Paulien, terwijl ze de auto startte.
Francien knikte. ‘Ja hoor. Ik ben er klaar voor.’
Francien wees Paulien waar de verhuurder woonde waar ze de sleutel kon ophalen. Ze had een maand huur vooruit moeten betalen, en dat had ze gedaan. Er stond nu niet meer zoveel op haar rekening, deze maand zou ze zuinig aan moeten doen, maar dat kon ze, ze had daar alle vertrouwen in.
Nadat ze de sleutel opgehaald hadden, reed Paulien naar het adres waar Francien kwam te wonen. Ze had het huis nog niet gezien, maar was net als Francien meteen enthousiast. ‘Wat een mooie plek, zus!'
[wordt vervolgd