[-28-

29 april 2026 om 14:37


Francien haalde weer haar schouders op. ‘Wat denk je? Slecht. Maar het is zoals het is. Uiteindelijk is het mijn eigen keuze om bij Evert weg te gaan, dus zal ik de consequenties van die keuze ook moeten dragen. Gelukkig krijg ik steun van de kinderen, en van mijn vriendin Kristel.’

Ze schudde even haar hoofd en zei toen: ‘Maar jij hebt gelukkig blij nieuws! En ik maak heel graag een keer kennis met Brigitta. Heb je een foto van haar?’

‘Ze zit hier in de kamer,’ grijnsde Aart. Hij draaide zijn telefoon. ‘Brigitta, you want to say hi to Francien?’

Francien zag een vrouw die op de bank in een tijdschrift zat te lezen. Ze keek op en lachte vriendelijk: ‘Hi, Francien.’

‘Hello, Brigitta, nice to see you. Sorry you can’t stay at our place, but I hope to meet you sometime.’ Francien zwaaide.

Brigitta zwaaide terug. 

Aart draaide het toestel weer om. ‘Dat was Brigitta.’

‘Ze lijkt me een leuke vrouw,’ zei Francien, ‘en ik wens jullie heel veel geluk samen.’

‘Dank je wel. En jij sterkte met alles. Houd je me op de hoogte van de ontwikkelingen?’

‘Doe ik. Dag Aart.’

Na het telefoontje bleef Francien nog een tijdje met de telefoon in haar handen zitten. Ze dacht aan Aart, en hoe gelukkig hij eruit had gezien. Zo gelukkig had zij er ook uitgezien in het begin van haar relatie met Evert.

Ze zuchtte. Leek Evert maar wat meer op zijn broer. Ze had Aart niet zoveel meegemaakt, drie maanden nadat zij en Evert getrouwd waren, was hij naar Zweden vertrokken. Maar ze had hem altijd graag gemogen.

Ze legde de telefoon neer, stond op en liep naar de keuken om een kop koffie te maken. Ze zocht in de voorraadlade naar een lekkere koek. Troostvoer, hield ze zichzelf voor. Maar af en toe mocht dat weleens. 

Ze ging op de bank zitten en zette met de afstandsbediening de televisie aan. Haar favoriete programma Nederland zingt was al begonnen. Het koor zong een lied dat zij niet kende, en waarvan de tekst wat langs haar heen ging. Maar daarna hoorde ze aan de begintonen al welk lied er volgde: Heer, ik kom tot U. Ze ging meteen rechtop zitten, sloot haar ogen en liet de woorden tot zich doordringen, terwijl de tranen over haar wangen stroomden. Zacht zong ze de bekende woorden mee: ‘Kom mij tegemoet… en maak alles goed.’

Toen het lied afgelopen was, drukte ze de televisie uit. Ze bleef met haar ogen gesloten stil zitten, in een woordeloos gebed.

[HOOFDSTUK 8

De ontwikkelingen rond de officiële scheiding verliepen gestaag, af en toe kreeg Francien bericht van haar advocaat. Evert was akkoord gegaan met alle regelingen die de advocaat had bedongen wat betreft het afzien van elkaars pensioen. 

Hij had geen commentaar gehad op het feit dat Francien geen alimentatie wilde, misschien vond hij dat wel vanzelfsprekend omdat ze haar eigen inkomen had. Francien had geen idee wat hij ervan vond, er werd amper een woord tussen hen gewisseld. Evert ging zijn eigen gang in de weekenden, soms was hij weg, Francien had geen idee waarnaartoe, soms bleef hij thuis zitten werken achter de computer. Gerda liet zich niet meer zien, daar was Francien blij om.

Francien riep Evert nog steeds elke ochtend, ze maakte zijn ontbijt klaar als vanouds, en had zich voorgenomen om dat te blijven doen tot aan haar laatste dag in dit huis. 

Als ze een late dienst had, zorgde ze dat er een diepvriesmaaltijd voor hem klaarlag. En als ze ’s avonds thuis was, kookte ze voor hen beiden, maar ze aten niet meer samen aan tafel. Meestal schepte Evert het eten op een bord en nam dat mee naar de kamer, waar hij achter de computer zijn bord leegat. Francien at dan in haar eentje aan de keukentafel.

Ze had de laatste twee termijnen van Everts lening afbetaald met haar vakantiegeld, en met het geld dat Evert terugkreeg van de Belastingdienst werd het tekort op hun rekening aangevuld. Zo had ze het idee dat ze tenminste met een schone lei kon vertrekken. Wat Evert daarna deed, was voor hemzelf.

In de weekenden dat Francien vrij was, ging ze ’s morgens op de fiets naar Goes, en ging ze met Wiebe en Vera mee naar de kerk. Ze was in het begin een paar keer naar hun eigen gemeente geweest, maar of ze werd genegeerd, of men keek haar met bevreemde blikken aan, zo voelde zij dat tenminste. 

Niemand sprak haar aan, niemand vroeg naar Evert, en ze was steeds blij als de dienst afgelopen was en ze weer naar huis kon. Ook de dominee had het bij één telefoontje gelaten, alleen om haar te vertellen dat hij de kerkenraad ingelicht had en dat hun wijkouderling een keer langs wilde komen om een gesprek te hebben met hen beiden. Francien had daarop gezegd dat dat weinig zin had omdat Evert met niemand wilde praten, en blijkbaar had de dominee dat doorgegeven, want ze had verder niets meer van de man vernomen.

Ze miste de kerkgang wel. Daarom had ze aan Wiebe en Vera gevraagd of ze zondagsmorgens met hen mee mocht naar hun kerk. Die vonden dat prima. Als Francien in de kerkbank zat tussen haar beide kleindochters, voelde ze zich getroost, en zong ze de liederen van harte mee. Wiebe had de predikant ingelicht, en ze had in deze gemeente tenminste niet het gevoel alsof iedereen haar met de nek aankeek.

[wordt vervolgd