[-27-
29 april 2026 om 14:34‘Jij ook niet, maar hebben we je ooit horen klagen?’ vroeg Wiebe. ‘Je bleef altijd positief, je probeerde nog iets van een goede sfeer te bewaren. Ik snapte soms niet waar je die positiviteit vandaan haalde.’
‘Mijn geloof gaf mij kracht, zo ervaarde ik dat altijd,’ zei Francien. ‘En doordat ik mezelf voor bleef houden: de liefde bedekt alle dingen, zij verdraagt alle dingen. Bovenal: ik hield van je vader.’
‘Hield?’ vroeg Vera. ‘Dus nu niet meer?’
Francien dacht een tijdje na. Toen zei ze: ‘Pa was mijn eerste en enige liefde. We hebben samen drie prachtige kinderen mogen krijgen en hebben lief en leed meegemaakt. Ja, ik hou nog van hem. Maar hij wil mijn liefde niet meer, ik kan die in elk geval niet meer bij hem kwijt. En dat doet zo’n pijn dat ik niet meer met hem kan samenleven.’
Op de terugweg naar huis dacht Francien na over het gesprek met Wiebe en Vera. Het had haar goedgedaan, ze voelde zich begrepen. Ook moest ze nadenken over datgene wat Vera had verteld over een narcistische persoonlijkheid. Ze had op de covers van magazines die bij de kapper lagen gezien dat dat steeds meer onder de aandacht gebracht werd, maar ze had nooit de behoefte gehad om zo’n artikel eens in te zien. Misschien moest ze daar toch eens aandacht aan besteden.
Toen ze thuiskwam was het inmiddels halfzes. Meestal aten ze op zaterdag rond een uur of zes, vaak met iets gemakkelijks als pizza of een salade of tosti’s. Evert was nog nergens te bekennen en was ook niet thuis geweest, zo te zien. Francien besloot om niet op hem te wachten, voor hetzelfde geld bleef hij vannacht weg. Ze maakte wat tosti’s voor zichzelf, schonk een beker melk in en ging ermee aan de eettafel zitten. Ze vouwde haar handen en bad: ‘Dank U voor deze maaltijd. En dank U voor deze middag, en het fijne gesprek dat ik mocht hebben met Vera en Wiebe. En wilt U ook met Evert zijn, waar hij ook is. Amen.’
Na het eten bracht ze het bordje naar de keuken en zette het in de vaatwasser. Toen ze weer terugliep naar de kamer ging haar telefoon. Ze pakte hem snel op, misschien was het Evert die vertelde waar hij was of dat hij naar huis kwam.
Maar het was Evert niet, het was zijn broer Aart die videobelde, zag ze op de display. Aart was de enige, vier jaar jongere broer van Evert, die op zijn twintigste naar Zweden vertrokken was voor een stage en daar nog steeds werkte bij een van de waterkrachtcentrales die Zweden rijk was. Hij woonde in een dorpje daar in de buurt, en had wel af en toe een vriendin gehad, maar niets serieus, hij was nog steeds alleen. De broers hadden weinig contact, ook als kind al niet, had Aart weleens verteld. Francien was degene die de relatie onderhield. Aart was twaalf jaar geleden voor het laatst in Nederland geweest, in 2007, voor de begrafenis van hun moeder, en gemiddeld eens per kwartaal belden of appten Francien en Aart elkaar.
Ze drukte op accepteren en wachtte tot ze Aart in beeld zag verschijnen.
‘Hé, Aart, fijn dat je belt, ik wilde een dezer dagen juist naar jou bellen.’ ‘Nou, dan ben ik je net voor,’ zei Aart lachend. ‘Ik had een leuk nieuwtje.’
‘O?’ vroeg Francien. Ze was benieuwd naar Aarts nieuwtje. Het nieuws dat zij zelf had, was niet zo leuk om te vertellen.
‘Ik heb sinds september vorig jaar een vriendin,’ zei hij. ‘Ze heet Brigitta. Ik heb haar tot nu toe nog niet ter sprake gebracht, want als het weer uit zou gaan moest ik dat ook weer uitleggen. Maar het blijkt serieus te zijn van beide kanten. Ze is twee jaar jonger dan ik, is sinds vijf jaar weduwe en heeft twee kinderen, een dochter en een zoon. Ook heeft ze twee kleinkinderen, twee jongens, kinderen van haar dochter. Ik zal je straks een foto appen.’
‘Joh, wat fijn voor je!’ zei Francien gemeend. ‘En voor haar, want ze heeft aan jou een goeie man,’ voegde ze er hartelijk aan toe.
‘Nu begrijp je misschien wel waar ik voor bel,’ zei Aart. ‘Ik wil haar graag aan jullie voorstellen, en haar het land en de omgeving laten zien waar ik opgegroeid ben. We waren van plan om ergens in de zomervakantie te komen. Brigitta is lerares Engels op een middelbare school, en heeft van half juni tot half augustus vakantie. Kunnen we als we in Nederland zijn bij jullie logeren, en zo ja, wat komt het best uit bij jullie? Ik weet niet of jullie zelf vakantieplannen hebben deze zomer?’
Hij zag ineens het gezicht van Francien betrekken. ‘Of komt het niet goed uit deze zomer? Je kijkt ineens zo donker?’
‘Eh…’ aarzelde Francien. Ze zocht naar woorden. Hoe moest ze dit nu vertellen? ‘Eh…’
‘Zeg het maar,’ nodigde Aart.
‘Eh… het gaat hier niet zo goed,’ gooide Francien er toen uit. ‘Evert en ik gaan scheiden.’
Aart was even stil. Toen zei hij: ‘Zooooo… Ik wist wel dat mijn broer niet de makkelijkste was, maar die zag ik even niet aankomen. Hoe komt dat ineens zo?’
‘Dat is een heel verhaal. In het kort komt het erop neer dat er een andere vrouw is, en ik vond drie te veel. Dus ga ik weg bij Evert.’
Aart keek boos. ‘Die broer van mij… De stommeling!’
Francien haalde haar schouders op. ‘Nou ja, je snapt dat jullie deze zomer niet bij ons terechtkunnen. Ik sta ingeschreven voor een andere woning, geen idee hoe snel zoiets gaat. Sorry!’ ‘Joh, daar hoef jíj geen sorry voor te zeggen,’ zei Aart. ‘Dan zoeken we voor deze zomer gewoon een andere bestemming. Brigitta heeft nog familie in het Lake District, waar haar moeder vandaan kwam, we kunnen dus ook naar Engeland.’ Het was even stil. Toen vroeg hij: ‘Hoe is het met jou?'
[wordt vervolgd