[-26-

29 april 2026 om 14:32


‘Waarnaartoe?’ vroeg Wiebe met een frons. Hij haalde het theezakje uit zijn glas en legde het in het daarvoor bestemde schaaltje.

‘Naar een hotel ergens in Gelderland. Samen met Gerda, begreep ik. Hij zei woensdagavond toen hij thuiskwam en ik vroeg waar hij geweest was, dat hij een klus had in de buurt van Tiel, en dat Gerda hem daarbij geholpen had. Maar hij is zaterdagochtend al vertrokken, en het lijkt me sterk dat hij in dat weekend ook al aan het werk is geweest. En ze zijn ook nog eens elke avond uit eten geweest.’

Vera schudde haar hoofd. ‘Hij gaf zelfs toe dat Gerda bij hem geweest is in dat hotel? Dat is toch overspel?’

Francien haalde haar schouders op. ‘Pa zei dat als ik ervoor koos om bij hem weg te gaan en mijn eigen leven te leiden, hij dat dus ook mocht.’

‘Dus hij geeft jou de schuld overal van?’ vroeg Wiebe. Hij werd steeds bozer. 

Francien knikte. Ze boog haar hoofd, en aan het schokken van haar schouders zagen Vera en Wiebe dat ze ingehouden snikte.

‘Dat is toch…’ zei Vera verontwaardigd. Ze stond op, ging naast haar schoonmoeder zitten en sloeg een arm om haar schouders.

Wiebe stond ook op. Hij liep door de kamer heen en weer met gebalde vuisten. ‘Die… die…!’

‘Moet oma huilen?’ klonk ineens een stemmetje. Marlies stond met grote, verschrikte ogen te kijken naar de huilende Francien en een boze heen en weer lopende Wiebe. ‘En is papa boos?’

Vera keek op. ‘Ja, oma is een beetje verdrietig, en papa is een beetje boos. Ga maar weer buitenspelen.’

‘Maar ik moet nodig plassen,’ klonk het benauwd.

‘Nou, dan ga je plassen, en daarna weer naar buiten,’ zei Vera wat kortaf.

Marlies aarzelde. ‘Is papa boos op oma?’

Wiebe werd meteen rustig en stond stil. ‘Nee, papa is niet boos op oma.’ Hij hurkte neer bij Marlies. ‘Papa is boos op opa, omdat hij oma verdrietig maakt.’

Vera schrok. ‘Wiebe!’ zei ze.

‘Ze zullen vandaag of morgen toch te horen krijgen wat er speelt,’ zei hij. Hij stond weer op en gaf Marlies een duwtje. ‘Ga maar gauw plassen, anders doe je het in je broek.’

Marlies liep naar de gang en kwam even later terug. Ze keek met een schuin oog naar oma, die inmiddels wat bedaard was, en liep toen weer de tuin in.

Wiebe kwam weer bij Vera en Francien aan tafel zitten. Hij dronk zijn inmiddels lauw geworden thee op en schonk toen zijn glas opnieuw vol. ‘Jullie nog heet water?’

‘Ja, graag.’ Ze hielden allebei hun glas bij.

‘Nou, mochten er nog mensen zijn die hoopten dat het toch nog goed kwam tussen pa en jou, dan is die hoop bij dezen in rook opgegaan. Tjongejonge, wat een…!’

‘Ik heb pas iets gelezen over narcisme,’ zei Vera, ‘daar is de laatste tijd veel aandacht voor. Als ik daar de kenmerken van lees, moet ik vaak aan pa denken: mensen met een narcistische persoonlijkheid staan graag in het middelpunt, ze hebben weinig oog voor emoties van anderen, ze kunnen niet tegen kritiek en kunnen onredelijk boos worden, ze geven anderen overal de schuld van, en kunnen anderen het gevoel geven dat ze dom zijn. Tegelijkertijd kunnen ze enorm charmant zijn en je het gevoel geven dat je speciaal bent.’

‘Dat gevoel had ik inderdaad toen we verkering hadden,’ zei Francien. ‘En dat gevoel geeft hij Gerda nu ook.’

‘Maar die andere dingen die Vera noemt heeft pa ook,’ zei Wiebe. ‘Hij staat graag in het middelpunt, hij kan niet tegen kritiek, en vaak geeft hij anderen de schuld. In dit geval krijgt mam de schuld van hun slechte relatie en de aanstaande scheiding.’

‘En hij geeft mij de laatste jaren het gevoel dat ik dom ben,’ zei Francien triest. ‘Ik doe niets meer goed in zijn ogen.’

‘Eigenlijk hielden we altijd en overal rekening met pa,’ zei Wiebe. ‘We liepen altijd op onze tenen, zelfs tijdens de vakanties. We moesten altijd kijken naar hoe zijn pet stond. Had hij een goede bui, dan werd het allemaal wat lichter, maar gingen de dingen niet naar zijn zin, dan had hij een gezicht als een onweerswolk en bleven we het liefst zoveel mogelijk uit zijn buurt.’

‘En ik heb dat misschien wel gestimuleerd,’ zei Francien zacht. ‘Door, als pa weer eens onredelijk uitgevallen was, jullie voor te houden dat de liefde alles bedekte…’

‘Maar je probeerde ook op allerlei manieren te voorkomen dat hij reden had om boos te zijn of te worden,’ zei Vera. En toen Francien haar verbaasd aankeek, zei ze: ‘Ik weet nog dat Wiebe en ik net getrouwd waren en dat jij en pa op een zondag na kerktijd koffie zouden komen drinken. Je belde mij de zaterdagmiddag ervoor op en zei: “Wil je ervoor zorgen dat de koffie klaarstaat als we komen? Pa vindt het altijd zo vervelend om te moeten wachten op zijn koffie.” Weet je dat nog?’

Francien knikte. ‘Ja, dat deed ik inderdaad. Ook als we bij mijn ouders op de koffie gingen. Ik dacht dat ik daar goed aan deed, want als pa moest wachten op zijn koffie, zag je zijn mondhoeken steeds meer naar beneden gaan en was hij vaak de rest van de dag niet te genieten…’

‘En dan reageerde hij dat af op jou,’ zei Wiebe bitter. ‘Wij konden dan naar onze kamers vluchten, maar jij zat steeds met hem opgescheept.’

Francien haalde haar schouders op. ‘Dat hoorde nu eenmaal bij pa,' zei ze. ‘Zeker in de tijd dat hij overspannen was, had hij het niet gemakkelijk.'

[wordt vervolgd