[-19-
20 april 2026 om 10:24Er stond een blad met kopjes, een koffiekan en een boterkoek op de tafel.
‘Ik was helemaal vergeten hoe heerlijk het hier is!’ zei Francien verrukt.
‘Ja, het is een fijn plekje,’ zei Kristel. ‘Geen last van inkijk, en ook al zitten we aan de rand van de stad, je hoort hier nauwelijks stadslawaai. We wonen hier graag.’
‘Ik kan me voorstellen dat je gasten hier ook graag zijn.’
Kristel knikte. ‘Ja, we hebben gasten die hier regelmatig terugkomen. We kunnen zes gasten herbergen, en we zitten meestal vol. Op dit moment hebben we er vier, dus we zouden nu een kamer voor jou beschikbaar hebben, maar van zaterdag tot maandag zitten we vol, dus we hebben wat anders bedacht.’ Ze wees naar een klein gebouwtje achter in de tuin. ‘Dat is het oude koetshuis. We gebruikten dat eerst als opslagruimte, maar we waren het laatste jaar bezig om daar een vakantiewoning van te maken. Het is bijna klaar, dus we dachten: mooie gelegenheid om jou daar als eerste gebruik van te laten maken.’
‘Wat lief!’ zei Francien dankbaar. Het leek haar heerlijk, een paar dagen een plekje voor zichzelf.
‘Maar eerst koffie,’ zei Kristel. Ze stond op en schonk drie kopjes koffie in. Stef was er inmiddels bij komen zitten. Kristel sneed daarna drie stukjes boterkoek af. ‘Vers gebakken,’ zei ze. ‘Ik weet nog dat je dat altijd zo lekker vond.’
Francien glimlachte. ‘Er kon ook niemand zulke lekkere boterkoek bakken als jouw moeder.’
‘Dit is haar recept. Ik ben benieuwd of je nog verschil proeft.’
Francien nam een hapje. ‘Mmm,’ zei ze smullend. ‘Precies zoals ik me het nog herinner.’
Toen ze de koffie ophadden, lieten Stef en Kristel het verbouwde koetshuis zien aan Francien. Het was een klein stenen huisje, met groene luikjes voor de ramen die uitkeken op de tuin. De groene voordeur had mooi smeedwerk en een klopper in de vorm van een leeuwenkop.
Kristel opende de deur met een indrukwekkend uitziende sleutel. Er was geen gang of hal, je stapte zo de woonkamer in. Dat was een gezellige, lichte ruimte met houten balken en ramen aan drie kanten. Boven de knusse zithoek hing een prachtige smeedijzeren lamp. Achterin naast het keukenblok stond een eettafel met vier houten stoelen, en ook daarboven een smeedijzeren lamp. De zijramen keken uit op het park, het achterraam keek uit op een kleine binnenplaats die bereikbaar was via de deur die zich naast het keukenblok bevond.
Kristel opende de achterdeur en Francien stapte naar buiten. Tegen de hoge stenen muur van de binnenplaats stonden diverse klimplanten. Francien herkende clematissen, een passiflora en kamperfoelie. Een van de clematissen bloeide al volop met kleine, roze bloemen, een paar andere zaten al vol knoppen. Naast de houten poort aan de zijkant die uitkwam op het park stond een blauweregen die net begon te bloeien en een heerlijke geur verspreidde.
Francien draaide zich om naar Kristel en Stef, die glimlachend naar het blije gezicht van Francien keken. ‘Wat een heerlijke ruimte! Wat maken jullie me hier blij mee!’
‘En dan heb je het boven nog niet eens gezien,’ lachte Kristel. ‘Kom maar eens mee.’ Ze liepen weer terug de woonkamer in. Tegen de zijmuur stond een houten trap die naar boven leidde.
Op de kleine overloop kwamen drie deuren uit. Achter een van de deuren bevond zich een slaapkamer met een tweepersoonsbed, een linnenkast, een klein zitje en twee ramen die uitkeken over het park. Achter de tweede deur bevond zich een kleinere slaapkamer met een stapelbed en een kleine, smalle kast. Het raam keek uit over de achtertuin van Stef en Kristel. En achter de derde deur bevond zich een kleine, vierkante badkamer met douche, toilet en wastafel en een klein klapraampje dat uitkeek op de stenen muur met klimplanten.
Beneden achter de trap bleek zich nog een toilet te bevinden, en een kleine bijkeuken waar een wasmachine stond.
‘En, zou je het hier een klein weekje uit kunnen houden?’ vroeg Kristel.
Francien schudde haar hoofd in ongeloof. ‘Ik ben sprakeloos! Wat fantastisch!’
Ze gaf Kristel en Stef een dikke knuffel. ‘Dank jullie wel!’
‘Dan breng ik zo je tas hiernaartoe,’ zei Stef, ‘maar ik lust eerst nog wel een kop koffie.’
Toen ze terugliepen voor een tweede kop koffie overhandigde Kristel de grote sleutel aan Francien. ‘Niet kwijtraken,’ waarschuwde ze, ‘we hebben er maar één van.’
‘Ik sjal er sjuinig op sjijn,’ zei Francien. Kristel en zij schoten in de lach, en Kristel legde tegen Stef uit: ‘Bij ons op de basisschool zat een meisje dat een keer op mijn verjaardag mocht komen. Ze sliste nogal. Ik weet niet eens meer wat ze voor cadeautje had, maar nog wel wat ze zei toen ze het gaf: “Sjul je d’r sjuinig op sjijn?” Dus dat zeggen we nog weleens tegen elkaar.’
Stef schaterde. ‘Dat arme kind, wat zal ze geplaagd zijn!’
Kristel haalde haar schouders op. ‘Geen idee, zo lang zat ze niet bij ons in de klas. Ze gingen kort erna verhuizen en we hebben haar nooit meer gezien.’
Ze schonk opnieuw koffie in. ‘Nog een stukje boterkoek?’ vroeg ze.
Francien bedankte, maar Stef wilde nog wel een stukje.
Na de koffie ging Francien naar het koetshuis om haar tas uit te pakken. Ze hing haar kleren in de linnenkast, legde haar pyjama op een van de kussens van het tweepersoonsbed en zette haar toilettas op de wastafel in de badkamer.
[wordt vervolgd