[-12-

13 april 2026 om 08:06


Het laatste woord eindigde met een snik, ze begon zacht te huilen.

Haar moeder stond meteen op en hurkte naast haar stoel, haar arm om Franciens schouder. ‘Ach, liefje toch…’

Haar vader balde zijn vuisten. ‘Die vent…! Die weet niet wat hij weggooit! De stomkop!’

‘En hoe reageerde Evert daarop?’ vroeg haar moeder toen.

Francien haalde met een betraand gezicht haar schouders op. ‘Hij zei niks. Ik had gehoopt dat hij ervan zou schrikken en dat hij begrip zou hebben voor mijn standpunt, of dat hij in zou binden. Maar niks ervan. En toen belde Gerda hem, en toen ben ik naar boven gegaan. Gisteravond heb ik geprobeerd met hem te praten, maar dat haalde niks uit. Ik heb het gistermorgen naar de kinderen geappt, en die willen morgenmiddag met ons komen praten, maar hij heeft gezegd dat dat nergens voor nodig is.’

Ze zuchtte weer. ‘Dit is niet de Evert op wie ik destijds verliefd werd, van wie ik ben gaan houden. Deze Evert is mij zó vreemd…’ Ze legde haar hoofd op haar moeders schouder en snikte het uit.

Haar vader schudde zijn hoofd. ‘Ik snap die vent niet. Maar ik snapte hem de laatste tijd toch al niet. Zoals hij jou soms af kon snauwen of kon kleineren waar anderen bij waren… En jij verontschuldigde hem steeds: hij was moe, of hij had het druk, of hij had zorgen met zijn bedrijfje. Jij bent gewoon veel te goed voor die vent!’

Francien droogde haar tranen. ‘Nou ja, ik ga bij hem weg. En nu ik hoor dat hij met Gerda hand in hand over het strand liep, ben ik helemaal blij dat ik die beslissing genomen heb.’

Haar moeder stond op en ging naast haar man op de bank zitten. ‘En nu? Je zult een huis moeten zoeken. Of blijf jij daar wonen en gaat Evert weg?’

Francien schudde haar hoofd. ‘Nee, ik ga weg. Ik zou daar ook niet willen blijven wonen, dat huis heeft veel te veel herinneringen van ons samen, van ons gezin. Als ik daar zou blijven wonen zonder Evert zou dat niet fijn zijn, denk ik. Nee, ik kan dan beter zelf weggaan, ergens opnieuw beginnen. Ik heb al gebeld naar de woningbouwvereniging, ik kom in aanmerking voor een urgentieverklaring, dan hoef ik niet zo lang op een wachtlijst te staan. En ik heb ook al een advocaat geregeld, ik kan daar aanstaande maandag terecht.’

Haar moeder schudde haar hoofd. ‘Ik snap het. Maar toch blijf ik het verdrietig vinden, dat een van onze kinderen gaat scheiden. Dat verwacht je toch niet als je kinderen gelovig zijn. Als ze in de kerk beloofd hebben bij elkaar te blijven “tot de dood ons scheidt”.’

Francien knikte. ‘Dat gaat ook steeds door mij heen. Wat vindt God hiervan?’

‘Heb je het daar ook met Evert over gehad?’ vroeg haar vader.

Francien boog haar hoofd. ‘Nee. Evert en ik praatten de laatste tijd niet meer samen over het geloof. Dat deed hij wel met Gerda. Die twee hadden zulke diepzinnige gesprekken, daar snapte ik toch niks van, zei hij vaak.’

Haar vader snoof. ‘Nou, zo christelijk zullen die diepzinnige gesprekken niet geweest zijn, als hij het blijkbaar normaal vindt om vreemd te gaan met een andere vrouw.’

Francien was bijna geneigd om te zeggen: ‘Hij gaat niet vreemd met haar, tenminste, hij gaat niet met haar naar bed.’ Maar ze hield zich bijtijds in. Dat was een oud mechanisme, om Evert te verdedigen tegenover anderen. Had ze zelf niet tegen hem gezegd dat hij geestelijk overspel pleegde?

Ze keek op haar horloge en stond op. ‘De bus gaat over tien minuten, ik moet weg. Willen jullie nog niks tegen Paulien en Thijs zeggen?’ Paulien was Franciens jongere zus, Thijs haar jongere broer. ‘Dat vertel ik hun zelf wel een keer. Morgenmiddag komen de kinderen, en zondag moet ik werken. Maandagochtend naar de advocaat, en dan wil ik het maandagmiddag tegen de dominee gaan vertellen.’

Ze gaf haar ouders een kus. ‘Bedankt voor jullie steun. Die zal ik de komende tijd nodig hebben.’

‘We zullen voor je bidden, kind,’ zei haar moeder zacht. ‘Dat heb je misschien nog wel meer nodig dan onze steun.’

Francien knikte. ‘Fijn. Dank u wel.’

In de bus onderweg naar huis had ze een hoop om over na te denken. Evert en Gerda, hand in hand…

[HOOFDSTUK 4

Evert kwam die avond pas over zessen thuis. Francien had het eten al een tijdje klaar, zodat ze gelijk aan konden schuiven. Ze baden in stilte, zoals ze de laatste tien jaar gedaan hadden sinds Gert-Jan de deur uit was. Tijdens de maaltijd werd er niets gezegd. Francien had getwijfeld of ze Evert zou confronteren met wat haar moeder verteld had, maar ze had besloten dat niet te doen. Óf Evert zou het ontkennen, óf ze kregen een vreselijke ruzie, en daar had ze geen zin meer in.

Na het eten dook Evert meteen achter de computer. Francien ruimde alles op en ging toen naar boven, naar haar naaikamertje. Ze was bezig met een jurkje voor Sanne en Marlies, allebei hetzelfde model, maar voor Sanne mintgroen, voor Marlies cyclaamrood. Ze had altijd veel plezier in haar naaiwerk, maar vanavond wilde het niet zo vlotten. Af en toe drupte er een traan op de stof, en ze moest één naadje tot twee keer toe uithalen en opnieuw stikken. Uiteindelijk stopte ze er maar mee.

Ze zat een tijdje werkeloos met haar handen in haar schoot. Wat moest ze nu doen? Er lag nog een lange avond voor haar.

Kristel! Ze zou Kristel bellen. Ze had ineens behoefte aan de stem van de vriendin die ze al sinds de peuterspeelzaal kende.

[wordt vervolgd