[-80-] 

-80- 


‘Lieve Gemma, het zou mooi zijn geweest als op dit moment alle kinderen erbij waren, maar tegenwoordig is dat niet meer zo makkelijk te realiseren als eerder. Ik vind dat sommige dingen zo belangrijk zijn dat je ze niet moet uitstellen. Na het plotselinge overlijden van ma is dat voor mij nog duidelijker geworden.’ Regelmatig moest hij zijn stemvolume wat ophogen om boven het geknal in de omgeving uit te komen. ‘Vandaar dat we niet helemaal voltallig zijn, maar Célina, Thomas, Sem en Raymond weten ervan en ze zijn er in gedachten bij.’

Nu werd ze nog emotioneel ook. Ze slikte en probeerde ongemerkt langs haar ogen te vegen. ‘Zolang als ik leef heeft de naam Onder de linde op deze gevel gestaan,’ Ruud deed alsof hij niets in de gaten had. ‘Een naam die de prachtige, oude linde in onze tuin recht deed. Die linde was onze trots en het middelpunt van ons samenzijn op warme zomeravonden.’

Aiden kreeg er genoeg van en drentelde weer in de richting van de achtertuin. Ze haalde hem met een snelle beweging terug. ‘Nog even naar papa luisteren.’

Ruud ging wat sneller praten. ‘De oude linde is er niet meer en je weet dat ik daardoor het bord al een tijdje misplaatst vond. Ik heb je beloofd met een nieuwe naam te komen.’

Morris had er ook geen zin meer in. Hij had het koud en wilde naar binnen. Ze haalde hem snel terug en tilde hem op. Ruud moest nog luider gaan praten vanwege de protesten van Morris. ‘Zoals de oude linde het middelpunt van onze tuin was, zo ben jij al die jaren het middelpunt van ons gezin. Toen je vorig jaar ziek werd, werd ons heel erg duidelijk hoe belangrijk jij voor ons bent.’ Ergens in haar broekzak moest nog een zakdoek zitten. Morris had zijn protest nog niet opgegeven. Ze durfde geen hand vrij te maken en haalde zo onopvallend mogelijk haar neus op. 

‘Het afgelopen jaar was niet makkelijk voor ons.’ Ruud deed een stap naar voren. ‘Maar nu we aan het begin van een nieuw jaar staan, leek het me goed om een nieuw begin te maken. Dank je wel voor alles wat je voor mij en de kinderen hebt betekend. Zou jij dan nu aan dit touw willen trekken, zodat je kunt zien wat ik je wil zeggen?’

Ze zette Morris op de grond, zocht en vond haar zakdoek en snoot omstandig haar neus. Ongemerkt veegde ze nog eens langs haar ogen. Met onwennige vingers trok ze voorzichtig aan het touw.

Er gebeurde niets.

‘Je mag best harder trekken.’ Ruud keek gespannen naar zijn constructie.

Ze hoopte van harte dat het nu zou lukken. Even hield ze haar adem in, toen gaf ze een flinke ruk. De oude deken die het bord aan de voorgevel bedekte, schoof naar beneden en onthulde daarmee de sierlijke, rode letters op een lichte achtergrond: Amor Omnia Vincit.

Ruud applaudisseerde en de kinderen volgden zijn voorbeeld. Zijn blik omvatte haar gezicht in een stille vraag om instemming en erkenning. Ze klapte ook in haar handen. ‘Amor Omnia Vincit,’ zei ze hardop. ‘Liefde overwint alles. Een betere naam is er voor ons huis niet te bedenken.’ 

Zijn gezicht barstte open in een opgeluchte glimlach. Hij pakte haar hand toen ze samen met de kinderen naar binnen gingen. Buiten hield het geknal nog heel lang aan.

Einde 

[Onderstroom

[Ria van der Ven-Rijken 

[-1-


[Hoofdstuk 1

Agaath Meijerink werd meteen wakker toen het alarm van haar mobiele telefoon afging. Met een lome beweging drukte ze het geluid weg.

Het was vroeg, twee uur in de middag. Ze draaide zich nog eens om. Als het aan haar lag, bleef ze nog uren slapen, maar dat was niet verstandig. Na vier nachtdiensten, waarvan afgelopen nacht de laatste, moest ze weer overschakelen naar het normale dag-en-nachtritme. Dat betekende heel simpel dat ze wel op móést staan, anders zou ze de komende vierentwintig uur met dat ritme blijven worstelen.

Ze geeuwde slaperig, sloeg het dekbed van zich af en wreef door haar ogen. Het was aardedonker in haar kamer. Een rolluik aan de buitenkant zorgde ervoor dat er geen daglicht binnenviel. Het gaf haar overdag de nodige rust om goed te kunnen slapen. Omdat het raam op kiepstand stond, hoorde ze wel een aantal mussen in de haag van coniferen ruziemaken met elkaar.

Alweer vrijdag vandaag, dacht ze, de weken vlogen voorbij. Ze knipte het bedlampje aan, zwaaide haar benen uit bed en bleef nog even op de rand zitten. Wat moest ze deze keer met haar vrije dagen aanvangen? In huis was alles brandschoon en haar tuin was helemaal op orde. Sinds het vertrek van haar dochter Nikki drie jaar geleden was ze hier alleen achtergebleven. Dat had ertoe geleid dat ze haar vaste baan in een verpleeghuis had opgezegd en als zzp’er aan de slag was gegaan. Eerst overdag, maar sinds de laatste twee jaar alleen maar ’s nachts. Tot nu toe beviel dat goed.

Ze waste zich, poetste haar tanden en kleedde zich aan. Toen ze daarna het rolluik omhoogtrok, zag ze pas hoe uitbundig de zon scheen. Het geluid van tjilpende mussen zwol aan, Agaath zag nog net de zwart-witte poes van de buren uit haar tuin wegglippen. De meimaand was een tijd van nesten met eitjes. Mussen in haar coniferen hielden niet van roofzuchtige pottenkijkers, ze sloegen meteen alarm. De poes bleek tegen dat gezamenlijke luchtalarm niet opgewassen en vluchtte snel naar de overkant.


[wordt vervolgd