[-52-]

-52-


Zo te zien kon Juliëtte haar leven zo overnemen, hoe jeugdig ze ook was. In de bakkerij was ze inmiddels broodnodig, voor haar gezin zou ze ook een prima vervanger zijn. Van haar mocht het. Ze wilde nu toch het liefst naar bed met haar hoofd onder het dekbed en slapen tot ze op een dag uitgerust wakker zou worden en haar lichaam weer naar behoren functioneerde.

Hoe dat aanvoelde, wist ze niet eens meer. 

Ze had zin om een potje te janken. Zelfmedelijden was niet goed, maar mocht ze ook een keer?

Er kwamen voetstappen in de richting van de keuken. 

Voordat de deur werd geopend wist ze al dat het haar moeder was, en ook dat die nu zo ongeveer de laatste was die ze wilde zien. Snel droogde ze haar tranen. ‘Ik wilde de soep warm maken,’ zei ze zonder in de richting van haar moeder te kijken. Haar stem trilde. ‘Vandaag eten we niet uitgebreid.’

‘Dat had je verteld,’ reageerde Mineke kort, om vervolgens te zwijgen. Dat leek haar aanwezigheid des te meer te benadrukken. Gemma wist hoe ze er nu bij stond, hoe ze de keuken rondkeek en zoveel zaken ontdekte die voor verbetering vatbaar waren. Ze grijnsden haar ineens ook tegemoet: de keukenkastjes met de afbladderende, blauwe verf, de barst in het granieten aanrecht en de twee donkergrijze tegeltjes en het ene witte tegeltje die in de spoelbak waren losgeraakt en nooit waren teruggeplaatst. Onhandig liet ze de houten pollepel vallen waarmee ze in de soep wilde roeren.

‘Laat mij maar,’ zei haar moeder, en ze pakte de pollepel op en duwde haar gewoon aan de kant. ‘Misschien moet jij even gaan zitten.’ Ze hield de pollepel onder de stromende kraan en wees met haar andere hand in de richting van de houten keukenkruk.

‘Wat een onzin,’ stribbelde Gemma tegen.

‘Onzin?’ Mineke trok laden open op zoek naar iets waarmee ze de gaspit onder de soeppan kon aansteken. 

‘Rechterla, aan de linkerkant,’ wees Gemma automatisch. Ze ging zitten en leunde tegen de kleine keukentafel.

‘Hoelang ben je nog van plan om dit toneelspel vol te houden?’ Haar moeder haalde het deksel van de pan en zette de gaspit hoger. 

‘Toneelspel? Hoe bedoel je, toneelspel?’ Aan een woordenwisseling met haar moeder had ze echt geen behoefte.

‘Alsof hier alles in orde is! Alsof jij het prima aankunt, alsof je kinderen nooit problemen geven, alsof…’

‘Hoe kom je erbij?’ Gemma probeerde tijd te winnen. Ze had veel verwacht, maar niet dat haar moeder zou doorzien dat ze zich helemaal niet zo goed voelde als ze wilde doen voorkomen. ‘Zou je trouwens geen schort omdoen? Het is zonde van die mooie jurk als daar vlekken op komen.’

‘Over dat meisje, of die jonge vrouw hoef je je geen zorgen te maken.’ Haar moeder negeerde haar vraag en knikte met haar hoofd in de richting van de kamer. ‘Ruud is niet dom. Hij zou zo ongeveer de vader van dat kind kunnen zijn. Bovendien is die jongen veel te gek met jou. En die kinderen gillen meteen om jou als ze zich zeer hebben gedaan of als ze getroost moeten worden. Ik maak me veel meer zorgen om jou. Je doet net alsof het zo goed met je gaat, maar ik ben niet achterlijk. Ik zie heus wel dat je er doodmoe uitziet onder die make-up. Sinds wanneer gebruik jij trouwens make-up? Sanne was daar altijd van, maar jij toch niet?’

‘Ik ook wel, ma.’ Het was net alsof haar vermoeidheid ineens veel meer doordrong nu haar moeder er woorden aan had gegeven. ‘Maar alleen als er iets bijzonders is. Normaal gesproken heb ik er niet eens tijd voor.’ Ze glimlachte flauwtjes. 

‘Nou ja, dat doet er ook niet toe.’ Mineke roerde rustig door de groentesoep. ‘Ik wil weten wat er met je aan de hand is. Ben je ziek, overspannen, is er iets anders aan de hand?’

Gemma wilde het wegwuiven. Haar moeder zou haar net zo goed met een korreltje zout nemen als Ruud, haar schoonouders en de artsen. Wat moest ze ook zeggen? Ik voel me beroerd maar alle onderzoeken wijzen uit dat er niks aan de hand is?

‘Ik weet niet…’ aarzelde ze. ‘Ik voel van alles, maar de artsen kunnen niks vinden en ik denk dat ik me gewoon aanstel.’

‘Aanstel?’ De lepel hield stil boven de pan. ‘Waarom zou jij je aanstellen? Wat voel je dan?’

Gemma wilde iets zeggen. Ze opende haar mond, maar er kwam geen geluid. Stomme tranen biggelden over haar wangen.

‘Ach kind,’ hoorde ze haar moeder zeggen. ‘Hoelang loop je hier al mee rond?’ Met een klap belandde de pollepel op het aanrecht. ‘Veel te lang, dat is wel duidelijk,’ concludeerde ze toen een antwoord uitbleef.

Gemma deed haar uiterste best om zich te beheersen, maar er was geen houden meer aan.


[Hoofdstuk 14

‘Waarom heb je niks gezegd?’ De soep pruttelde inmiddels. Haar moeder roerde. Ze had wel drie keer nieuwsgierige familieleden weggestuurd. Alleen Morris mocht blijven. Hij zat nu met zijn duim in zijn mond bij Gemma op schoot. 

‘Elke keer als je me belde, had je van die oppervlakkige verhalen dat het allemaal goed ging. En zelfs deze dagen probeerde je me nog voor de gek te houden.’


[wordt vervolgd