[-12-]

-12-


‘Red je het echt alleen?’ hoorde ze Ruud achter zich roepen. Ze reageerde er niet eens op, en voelde een immense opluchting toen Loïs de deur achter haar sloot. Haar ogen moesten even wennen aan de schemer in huis, veroorzaakt door neergelaten groen-wit gestreepte zonneschermen. Echt koel was het niet, maar wel aangenaam als je rechtstreeks van buiten kwam. Ze hees zich de trap op en kon zich niet herinneren dat ze ooit eerder zo doodmoe was geweest. Op de slaapkamer had ze niet eens de moed om zich uit te kleden. In haar bezwete jurk ging ze op bed liggen en ze trok het dekbed op tot aan het puntje van haar neus. 

Eindelijk alleen.

Ze wilde wakker blijven om te horen of Célina thuiskwam, maar al na een paar minuten vielen haar ogen dicht.


Een kwartier later schrok ze alweer wakker uit haar onrustige dromen. Ze merkte dat ze naar de wc moest. Voorzichtig ging ze rechtop zitten. Van onder haar raam dreven opgewekte geluiden naar binnen. Vrolijke kinderstemmen, de stem van haar schoonvader, Raymond die luid lachte. Tevergeefs luisterde ze of ze Célina hoorde. Moeizaam liep ze naar het raam, alsof ze in een klap veertig jaar ouder was geworden. Ze schoof de vitrage opzij en had net tussen de takken van de linde door zicht op Célina. Door de gazen hor vervaagde haar gestalte, maar Gemma kon zien hoe ze zich over haar bord boog, alsof ze de rest van het gezelschap wilde buitensluiten. Even bleef ze staan, leunend op de vensterbank. Ze rilde nog steeds. Gelukkig was haar misselijkheid over. 

Ze liep naar de wc, die zich in de badkamer bevond. Nadat ze had geplast, trok ze haar verkreukelde jurk en bezwete ondergoed uit. Ze gooide haar kleding in de bijna overlopende wasmand in de badkamer. Bij de wasmachine in de bijkeuken stonden nog twee wasmanden met vuil wasgoed. Als ze had gewerkt, liep ze op dat gebied meteen achter. Nu probeerde ze er niet aan te denken. Ze kon het zich nog niet voorstellen, maar misschien voelde ze zich morgen beter. Als ze nog vroeger dan normaal opstond, kon ze alvast een was in de machine stoppen en aan Célina of een van de jongens vragen of ze die er later uit haalden en wilden ophangen. Blij zouden ze van dat verzoek niet worden, maar dat moest dan maar. 

Met haar handen plensde ze koud water in haar gezicht. In de spiegel keek een paar vermoeide ogen haar aan. 

Ze wendde gauw haar blik af en liep in haar blootje terug naar de slaapkamer, waar ze een schoon slipje en nachthemd aantrok. 

Opgelucht stapte ze in het klamme bed. Het voelde beter nu ze zich had opgefrist en ze nam zich voor om alle zorgen even van zich af te zetten. 

Ze probeerde de geluiden van buiten te negeren, maar hoorde toch dat Ruud geërgerd Célina’s naam riep. Ze antwoordde iets wat hem kennelijk niet beviel want hij ontstak in woede. 

Ze hoorde hem schreeuwen over brutaliteit en verantwoordelijkheidsgevoel, over ongerustheid omdat er van alles gebeurd kon zijn. Toen hij zijn stem dempte, werden zijn woorden onverstaanbaar. 

Ze zou willen dat ze nu wat kon ontspannen, maar buiten hoorde ze Célina roepen dat haar vader in de prehistorie was blijven steken en even later stampten haar woedende voeten de trap op. De slaapkamerdeur sloeg met een klap achter haar dicht.

Met een zwaar gevoel in haar maag draaide Gemma zich om. 

Zou Célina hebben verteld waar ze had uitgehangen, of juist niet? Kwam daar Ruuds onmachtige woede vandaan? 

Waarom was ze niet eerlijk? Was ze bang dat de jongen met wie ze iets had niet bij Ruud en haar in de smaak zou vallen? Was er iets bijzonders met die jongen aan de hand waardoor ze die angst moest hebben? Waren Ruud en zij misschien te kritisch? Célina had nog nooit een vriendje mee naar huis genomen. Ze had helemaal geen vergelijkingsmateriaal. 

Het zat haar echt dwars, merkte ze. Opnieuw deed ze een poging om in slaap te vallen, maar steeds drongen zich allerlei vragen op. Buiten werden borden op elkaar gestapeld. Thomas maakte ruzie met Sem. Loïs bemoeide zich ermee. Haar schoonvader probeerde de boel te sussen. Ze wist precies hoe hij er nu bij stond, hoe hij nu een beroep deed op hun gezonde verstand en een uitweg trachtte te vinden. Hij zei nooit gewoon dat het nu maar eens afgelopen moest zijn. Haar schoonvader wilde koste wat kost de vrede bewaren.

Ze spitste haar oren toen er zachte voetstappen naar boven kwamen. Er werd op Célina’s slaapkamerdeur geklopt. Ruud vroeg of hij binnen mocht komen. Als antwoord kreeg hij een weinig toeschietelijk: ‘Als je dat graag wilt.’ Hij liet zich er niet door uit het veld slaan. Zijn woede leek voorbij. In de slaapkamer naast de hare werd op normale toon gesproken. 

Tien minuten later ging de deur van haar slaapkamer open. ‘Slaap je?’ informeerde Ruud, en op haar ontkennende antwoord: ‘Dat dacht ik al. Je ligt waarschijnlijk te malen over Célina.’

Hij ging bij haar op bed zitten. ‘Hoe gaat het nu?’ informeerde hij bezorgd.

‘Er is weinig veranderd. Maar vertel eens over dat vriendje van Célina?’

‘Sems verhaal klopte. Vandaag is ze met die knul weggeweest. Leo… even denken…’ Nadenkend wreef hij over zijn kin. ‘Nee, Leander.’

‘Leander? Wat een aparte naam.’


[wordt vervolgd