[-77-]
1 juni 2021 om 12:22[Hoofdstuk 20
Twee jaar later
Zoals ze zo vaak deed, pakte Josta de grote foto van de kast en keek ze ernaar. Twee jaar geleden was het alweer. Twee jaar sinds ze Ellis naar haar laatste rustplaats hadden gebracht. Het was een mooie, indrukwekkende dag geweest, met bijna tweehonderd mensen die afscheid kwamen nemen, inclusief de kinderen uit Ellis’ klas. Josta had gesproken op de begrafenis, een echte overwinning voor haar. Daarvoor zou ze iets dergelijks nooit gedurfd hebben, maar door alles wat ze had meegemaakt tijdens Ellis’ ziekte was ze zelfverzekerder en assertiever geworden. In plaats van in een hoekje te blijven zitten kwam ze tegenwoordig voor zichzelf op. Ze verschuilde zich niet meer achter anderen, maar eiste haar eigen plek op.
Drie weken geleden hadden ze met z’n vijven Ellis’ tweede sterfdag herdacht. Met z’n vijven. Het voelde af en toe nog steeds vreemd om dat te zeggen of te denken. Ellis hoorde er nog zo bij. Het was Josta al een keer overkomen dat ze voor een groepsavond waarop de anderen bij haar kwamen eten zes borden op tafel had gezet. Ze had ook nog steeds de neiging om haar telefoon te pakken en Ellis te bellen als er iets gebeurd was wat ze met haar wilde delen. Soms ging de bel en liep ze naar de deur in de hoop Ellis daar aan te treffen. Pas als ze dan iemand anders zag staan, drong het keiharde besef dat Ellis er niet meer was tot haar door. Het was zo raar dat ze er niet meer was, dat haar stoel leeg bleef bij belangrijke gebeurtenissen. Zoals vandaag. Dit was een dag waarop ze Ellis meer miste dan ooit.
‘Aan het mijmeren over het verleden?’ vroeg Pascal. Hij kwam achter haar staan en sloeg zijn armen om haar heen. ‘Vandaag?’
‘Juist vandaag.’ Josta leunde heerlijk tegen hem aan. ‘Dit is onze trouwdag, dus een dag die gericht is op de toekomst, maar juist het verleden heeft ons gemaakt tot de mensen die we nu zijn en die vol overtuiging straks ‘ja’ tegen elkaar zeggen. Bovendien is dit echt een dag waarop ze erbij had moeten zijn. Omdat dat niet kan, pak ik haar foto er maar bij.’
‘Ja, want op andere dagen kijk je nooit naar die foto,’ plaagde Pascal haar.
‘Heel soms,’ lachte Josta met hem mee.
Ze zette de lijst terug, draaide zich om en sloeg haar armen om zijn hals.
‘Ik ben ontzettend gelukkig met het feit dat ik vandaag jouw vrouw ga worden, maar er zit altijd een beurs plekje op mijn hart dat op sommige dagen meer pijn doet dan anders. Vandaag is zo’n dag. Maar maak je geen zorgen, het geluksgevoel overheerst. Dat is sterker, precies zoals Ellis gewild zou hebben.’
‘Gelukkig maar. Je mag best huilen op het stadhuis, maar dan van ontroering, niet van verdriet en ellende.’
‘Ik word geen snikkende bruid,’ nam Josta zich stellig voor.
‘Mooi. Word je wel een bruid met een mooie jurk? In dat geval mag je je weleens aan gaan kleden,’ zei Pascal met een blik op de klok. ‘Al mag je van mij ook gewoon deze spijkerbroek aanhouden, hoor.’
‘Echt niet!’ Verontwaardigd dook Josta onder zijn armen door. ‘Ik ga me heel mooi aankleden voor jou. Niet om het hoekje gluren, hoor. Je mag de slaapkamer pas binnenkomen als ik klaar ben.’
In hun slaapkamer haalde ze voorzichtig haar trouwjurk uit de hoes. De kapper had ze die ochtend al bezocht, net als de schoonheidsspecialiste die haar vakkundig had opgemaakt. Het enige wat ze nog moest doen voor ze op en top de bruid was, was haar jurk aantrekken. Daar had ze geen hulp bij willen hebben. Normaal gesproken zou Ellis daar de aangewezen persoon voor zijn, peinsde ze terwijl ze de ragdunne stof, voorzichtig voor haar kapsel, over haar hoofd trok. Ze deed het nu liever alleen dan met iemand anders erbij. Pascal en zij zouden, dwars tegen de traditie in, samen naar het stadhuis gaan, in hun eigen auto. Ze waren allebei nu eenmaal niet zo gehecht aan decorum of tradities. Ze vulden hun trouwdag in zoals ze dat zelf wilden. Eenvoudig, zonder al te veel opsmuk, met alleen familie en naaste vrienden bij de plechtigheid en het diner, maar wel met een spetterend feest in de avond voor iedereen die ze kenden. Hun huwelijksreis begon pas over vier dagen, dagen die ze lekker in hun eigen, nieuwe huis door wilden brengen. Ze hadden dit huis vijf maanden geleden gekocht en vorige maand waren ze erin getrokken, vanuit de flat waar Pascal jaren had gewoond en waar zij een kleine twee jaar geleden ook was gaan wonen, vlak na de dood van Ellis. Heel snel, maar ze kenden elkaar al zo lang en zo goed dat ze allebei geen seconde hadden getwijfeld. Wat voor Josta een prettige bijkomstigheid was geweest, was dat ze niet meer geconfronteerd werd met de nieuwe bewoners van Ellis’ flat, een jong stel. Sympathieke mensen, maar ze had het maar amper op kunnen brengen om gewoon beleefd tegen hen te doen als ze hen tegenkwam in de hal of de lift.
Zo, ze was klaar. Tevreden bekeek Josta het eindresultaat in de lange passpiegel die Pascal aan de binnenkant van hun kledingkast had gemonteerd. De simpele witte jurk stond haar uitstekend. Bij iedere beweging voegde de soepele stof zich rond haar lichaam en de subtiele glitters op de wijde rok zorgden voor een feestelijk effect. Het enige sieraad dat ze droeg, was de ketting die ze van Ellis had gekregen. Ze had de halslijn van haar jurk daar speciaal op aan laten passen. Josta pakte het kleine, witte tasje dat bij de jurk hoorde en schoof haar voeten in de eveneens witte schoenen. Nu was ze echt klaar. Klaar voor de toekomst.
[wordt vervolgd