Net uitgevlogen uilen brengen de eerste weken door als 'takkeling' in de boomtakken.
Net uitgevlogen uilen brengen de eerste weken door als 'takkeling' in de boomtakken. Kees van Reenen

[Ransuilen] in Voorthuizen

Nog even, dan zal de zon ondergaan en de avond vallen over chaletpark Dennenhorst. Het is nog licht, maar onder de vele bomen begint het haast al iets te schemeren. Een merel fluit zijn avondlied.

Uit de richting van een dichte spar klinkt een schrille, klaaglijke roep - 'Piiiiew'. Even later weer en dan nog eens. Elke pakweg tien seconden laat de geheimzinnige vreemde vogel de roep horen. ,,Ja, die is het'', zegt Hélène Lagendijk. ,,Het klinkt vrij zacht, dit is de jongste van de drie jonge ransuilen.” Ze richt haar verrekijker, maar kan de vogel niet ontdekken.

Dan loopt ze de tuin in en wijst: ,,Zie je die drie fijnsparren? In de middelste zit het nest, bijna bovenin.” Een paar losse twijgen tussen de dichte takken verraden het nest van een ransuil.

,,We hebben het pas twee weken geleden ontdekt. We hoorden ze al een week roepen, maar toen bleek het nest dus in een boom in onze eigen tuin te zitten! Wij wonen hier al achttien jaar, maar dit is voor het eerst.” ‘Wij’, dat zijn Hélène en haar man Leo, die instemmend knikt.

Een beetje vreemd is het wel. Ransuilen maken zelden een eigen nest, bijna altijd gebruiken ze een oud kraaien- of eksternest, maar voor zover de Lagendijks weten, hebben er in de bewuste boom de laatste jaren geen kraaiachtigen gebroed, dus ze vermoeden dat de ransuilen het nest zelf hebben gebouwd, hoe ongebruikelijk dat ook mag zijn.

Vanuit Rotterdam kwam het echtpaar Lagendijk 45 jaar geleden al voor vakanties met GGZ-patiënten van Leo naar de Veluwe. Na zijn pensionering hebben ze zich hier definitief gevestigd; acht maanden per jaar op het vakantiepark en vier in Voorthuizen zelf. Tot voor kort hielden ze ook excursies en lezingen over wild, onder meer voor Stichting Behoud Dierenwereld Veluwe, waar Hélène nog steeds bij betrokken is.

,,Een ransuil schijnt om de vijf dagen een ei te leggen'', vervolgt Hélène, die veel van vogels weet. ,,Daardoor vliegen de jongen om beurten uit. Eerst hoorden we dus nummer 1, die we al een tijdje niet meer horen of zien, die kan zichzelf waarschijnlijk al redden. Een paar dagen daarna kwam nummer 2 en nog wat later nummer 3, die we daar horen. Nummer 2 was in elk geval gisteravond ook nog in de buurt, maar die begint wat later te roepen.” Het jongste uilskuiken heeft zeker de grootste honger. Het klaaglijke geluid is namelijk de bedelroep, waarmee ze hun ouders vragen om een dode muis te brengen. Die zullen dat niet nalaten, maar ze wachten liever tot het donker is.

Intussen begint het al aardig te schemeren. De eerste dwergvleermuizen fladderen tussen de bomen. En dan roepen er opeens twee jonge uilen: nummer 2 valt in met een iets luidere kreet. Leo is het pad opgelopen en komt terug met de mededeling de uilen te hebben gelokaliseerd. En jawel, in een dichte spar, een paar inritten verderop, beweegt iets. Zo groot als een duif, maar dikker en donziger. Dat is dus een jonge ransuil! ,,Nummer 3'', fluistert Hélène. ,,Die is nog donzig. En kijk, daar zit ook nummer 2!” Tussen de dichte takken door zijn een paar klapwiekende vleugels te zien en even later ontdekt Hélène hem hoger in de boom.

Het lichte voorhoofd met beginnende oorpluimen steekt net boven een dichtbenaalde tak uit en af en toe ook een paar ronde, oranje ogen - een teken dat de 'takkeling' volwassen begint te worden. Het beest lijkt afwerende kopbewegingen te maken naar de mensen beneden. Dan slaat hij zijn vleugels uit en vliegt naar een volgende boom. Even steekt hij licht af tegen de takken, dan verdwijnt hij uit het zicht. Maar het duurt niet lang of beide uilskuikens laten weer hun bedelroep horen. Waar blijven die muizen?

Nog een paar dagen oefenen met vliegen, nog even wachten tot de donsveren zijn vervangen door ‘echte' en dan zijn twee nieuwe muizenvangers klaar om zelf op jacht te gaan. Twee uilskuikens zijn bezig te veranderen in een wijze uil.

Hélène en Leo Lagendijk tussen de bomen in hun tuin op het chaletpark.
Jonge ransuil ‘nummer 2’ gluurt wantrouwig over een sparrentak.