[-80-]

-80-


‘Ja, maar dat is wat anders. Daar hangt zoveel van af. Nou, veel plezier bij de knollen. Ik kom nog wel dag zeggen als ik wegga.’ Mimi zwaaide, stapte in haar auto en reed te hard om de kerk heen.


Victorien liep over het grindpad van het kerkhof. In haar arm, tegen haar middel aangedrukt, droeg ze een hortensia die met donkerpaarse bloemen bloeide. Hoe dichter ze het graf van Bob naderde, hoe trager haar stappen werden. Bij de rechtopstaande steen bleef ze staan. Roerloos. Toen nam ze de schep die op een standaard vlak bij het pad hing. Ze knielde neer, zette met zorgvuldige gebaren de plant in de grond en drukte de grond aan. Daarna leunde ze met haar beide handen op de steen en keek om zich heen. Er was tot haar opluchting niemand in de buurt. Er gleden een paar tranen over haar wangen. Ze veegde ze niet weg. Haar stem was hees toen ze zacht zei: ‘Ik weet wel dat je me niet kunt horen, Bob, maar toch. Lieve Bob. Ik heb het je al eens vergeven, maar alles was zo chaotisch, dat er veel pas later tot me doordrong. Dus nu nog een keer: ik vergeef je de verhouding met Claudia. En ook haar wil ik het niet meer nadragen, al kost het me moeite en heb ik wel een beetje hulp van God nodig om dat vol te houden. Een beetje maar. Met Robbie gaat het goed. Liesbeth en ik zorgen voor hem en we houden van hem.’

Ze zweeg een tijdje en ging hardop verder: ‘Ik heb iemand gevonden van wie ik houd. Net zoveel, maar anders dan vroeger van jou. Ik weet zeker dat hij ook een goede vader voor onze kinderen zal zijn.’

Ze bleef nog een paar minuten op haar knieën zitten. Ze luisterde naar de wind die de toppen van de bomen heen en weer deed wiegen. Nee, ze zou hier geen antwoord krijgen. Niet van Bob, maar een gevoel van vrede kwam over haar. Toen stond ze langzaam op en keek nog naar de inscriptie op de steen. Robert van Hierden. Geliefde echtgenoot en vader. In Gods ontferming opgenomen.

Nee, natuurlijk kon hij haar niet horen. Dat wist ze, maar toch. ‘Dag Bob. Dag Bob,’ fluisterde ze. Ze draaide zich om, hing de schep weer op zijn plaats en liep langzaam het pad af. Met één hand veegde ze de tranen van haar wangen weg. Bij de ingang van de begraafplaats draaide ze zich nog een keer om. Ze zou hier niet meer komen als de vrouw van Bob van Hierden. Zijn weduwe. Als ze hier weer met de kinderen kwam, heette ze Victorien van Ravenschot.

Ze haalde diep adem, pakte haar autosleutels en reed naar haar oude buurt. Ook van het huis waar ze met Bob had gewoond, zou ze afscheid nemen. Victorien van Hierden zou hier niet meer komen. Ze zocht naar een parkeerplaats, zette haar auto neer en belde aan. De deur was vernieuwd, haar sleutels zouden niet meer in het slot passen. Ze belde aan. Toen de deur openging, riep ze naar boven. ‘Corrie!’ En ze hoorde hoe de voeten van haar oude buurvrouw de trap af roffelden. ‘Vicky!’


Tegen negen uur was ze weer thuis en haalde de kinderen op bij Liesbeth. John was er ook nog.

Onderzoekend keken ze naar haar gezicht.

Matthieu was moe na een dag spelen. Hij was al in pyjama en zat op de bank en haalde zijn duim uit zijn mond. ‘Ben je ook nog naar papa geweest?’

Ze knikte.

‘Dacht ik wel,’ zei hij voldaan. ‘Volgende keer gaan wij ook weer mee, anders denkt papa dat we hem vergeten.’

‘Mattie, daar weet papa niets van, hij is daar niet, want hij is bij de Here God,’ zei Yvette.

‘Dat weet ik heus wel, maar toch,’ hield Matthieu vol en hij liep naar zijn moeder toe.

‘Natuurlijk. Dat doen we voor onszelf, omdat we hem niet willen vergeten, maar daar hebben we het kerkhof niet voor nodig.’

Yvette keek naar haar moeder. Ze had de ogen van Paul gezien als die naar haar moeder keek. Ze was door de verwikkelingen in het afgelopen jaar wijs geworden. ‘Jij ook niet?’ Ze wilde het wel zeker weten.

‘Nee, ik ook niet. We zijn dankbaar voor wie hij voor ons, voor jullie en voor mij, geweest is,’ zei Victorien zacht, maar met overtuiging en ze sloeg haar armen om haar kinderen heen.

‘Goed.’ De opluchting dat ze haar vader niet hoefde uit te vlakken, was hoorbaar in Yvettes stem. Ze legde haar hoofd tegen de arm van haar moeder. ‘Dan is het goed.’

Liesbeth had de hand van John vastgepakt en had moeite om haar tranen in te houden. Hij drukte hem stevig tegen zijn zij. Ze wisten alle twee dat er iets bij Victorien veranderd was.

John hoopte van harte dat die verandering haar dichter bij Paul zou brengen. Liesbeth wist het bijna zeker. Ze had het geluk op het gezicht van Victorien gezien toen ze Paul de vorige dag naar de deur had gebracht.

‘Kom, ik help je de kinderen naar bed te brengen,’ zei ze daarna zakelijk.


Mimi lichtte haar dochter in over de poging om John los te weken van Liesbeth. ‘Zo hinderlijk braaf, die man,’ zei ze hatelijk. ‘Een brok graniet!’

‘Dat had ik je wel kunnen vertellen,’ zei Claudia.

‘Nou, dan had je dat moeten doen. En ik kan je op een briefje geven dat jij bij die Paul ook niet veel bereikt,’ zei Mimi kribbig. Ze had zich zelden zo vernederd gevoeld als vanmorgen. Gelukkig had ze verder niets gezegd waaruit hij iets op had kunnen maken.


[wordt vervolgd