[-26-]

-26-


‘Och, voor u of uw zoon zijn stoffen en wolkleuring niet echt boeiend,’ glimlachte mevrouw Van Hierden. ‘Ik wil u daar niet mee vervelen. Het wordt echt wat wij vroeger noemden “een dameskransje”. Maar misschien uw dochter? En u en uw dochter, mevrouw Buitenweg? Vanzelfsprekend ben jij ook welkom, Berry.’ Ze kende Berry al vanaf haar geboorte. ‘En als u werkelijk een spinnenwiel wilt hebben, dan tikt Teun, mijn tuinman, die wel voor u op de kop. En een schapenvacht ook.’

Mevrouw Van Hierden keek haar aan. Het leek haar bijzonder leuk om eens te spinnen. Ze had het heel vroeger eens gedaan en het resultaat was verrassend goed geweest, volgens haar moeder dan. Misschien was ze enthousiast geweest omdat zij haar dochter was, maar toch. Ze had het zo leuk gevonden.

Meneer Van Hierden zweeg ontstemd en hij fronste zijn wenkbrauwen toen de woorden van mevrouw Van Ravenschot tot hem doordrongen. Bedoelde die vrouw met die opmerking dat hij niet welkom was?

En was die uitnodiging op dit moment niet erg onhartelijk tegenover Claudia en haar moeder? Om zo genegeerd te worden? Hij keek naar de kaarsrechte houding van de oudere vrouw.

Die vrouw gedroeg zich alsof… alsof… hij kon het juiste woord er niet voor vinden. Alsof het dorp haar bezit was en die mensen hier haar pachters waren. De ‘landlady’. Maar ze moest niet denken dat ze hem opzij kon schuiven. Hij keek om. ‘Eh… Claudia. Mimi.’


Claudia en haar moeder stonden nog steeds aan de zijkant van de kamer. Claudia had het gesprek aan zich voorbij laten gaan en keek naar de drie jongetjes die in de hoek van de kamer in hun spel verdiept waren. Ze keken niet om naar de mensen die binnen waren gekomen.

Zou ze naar Robbie toe gaan? Ze had een cadeautje in haar tas zitten. Maar even wachten met het te geven. Stel dat hij niets van haar wilde weten en weer ging huilen, zoals toen op de dag dat Bob jarig zou zijn geweest. Robbie kende haar tenslotte bijna niet. Ze keek vlug de kamer rond. Wat een afgang zou dat zijn. Lastig dat die moeder van Paul er ook bij was. Iedereen luisterde nu naar haar. Ze was iemand op wie je op de een of andere manier een goede indruk wilde maken. Ze beet op haar lippen.

Mimi zag haar dochter aarzelen en ze knikte met haar hoofd in de richting van de jongens. ‘Geef hem zijn cadeautje even, Claudia.’

‘Ze spelen zo lekker. Ik laat hem maar even.’

‘Precies. Neem een stoel, Claudia. Naast John is nog ruimte. En jij ook Mimi,’ zei Liesbeth. ‘Jullie zijn vast toe aan koffie. Er zijn soesjes en appeltaart.’

‘Graag. We zijn tenslotte al uren op pad. Dit is toch een beetje een uithoek, hoor. Wel een overgang voor je, van Amsterdam hiernaartoe Lies. Maar als jij het hier prettig vindt…’

‘Vind ik ja. Soesjes of een stuk appeltaart?’

Mimi ging zitten en ook Claudia pakte een stoel.

‘Appeltaart. Heb je appels van de boom in je eigen tuin?’

‘Ja, en de noten erin zijn uit deze tuin.’ Liesbeth wees naar het raam. Gelukkig even een ander onderwerp.

‘Als ik op Turkije vlieg, zal ik eens gedroogde abrikozen voor je meenemen. Die zijn daar zo lekker.’

Mimi ging op de woorden van haar zus in. Het werd zo’n benauwend sfeertje als je het overliet aan die familie van Bob. Wel spannend en amusant, maar toch. Eten en gebak waren altijd dankbare onderwerpen. ‘Laat me raden wat je voor vanavond hebt klaargemaakt.’

‘Nou?’ Liesbeth hield haar het blad met schoteltjes voor.

‘Stoofschotel natuurlijk. Abrikozen smaken daar trouwens heerlijk in.’ Mimi nam een schoteltje met appeltaart van het blad.

‘Soort van. Shepherd’s pie.’

‘O, heerlijk. Wij blijven ook eten,’ lachte Mimi.

‘Als dat kan voor tante Liesje natuurlijk. We hebben niet laten weten dat we van plan waren om te komen,’ zei Claudia bescheiden.

‘O, hou op, Claudia. Natuurlijk rekende ze op ons. Niet Liesbeth?’ lachte Mimi en ze nam een hap van haar appeltaart. ‘Mmm lekker. Ik eet dit niet vaak. Alleen die eigengemaakte taart van jou.’

‘Ik voel me vereerd,’ zei Liesbeth droog.


Na een klein uur stonden de ouders van Victorien op. ‘Wij gaan weer op huis aan. Hanna wilde op tijd weer thuis zijn. Ze moet vanavond nog weg en Berend is niet bepaald een ster met de potten en pannen,’ zei mevrouw Buitenweg. ‘En de kinderen moeten morgen weer naar school.’

Hanna haalde haar dochter op en sloeg haar armen in het halletje om haar zus heen. ‘Laat je niet in een hoek zetten door die lui.’ Ze legde niet uit wie ze bedoelde. Dat was duidelijk genoeg. ‘Rug recht, Vicky.’

Meneer Buitenweg gaf Victorien een aai over haar hoofd. ‘Dat doet ze. Blijven Paul en John ook eten?’

‘We hebben ze gevraagd.’

‘Anders wordt het wel erg ongemakkelijk voor je. Met die twee vrouwen erbij.’ Hij knikte met zijn hoofd richting de kamer.

‘Komt goed,’ zei Victorien met meer overtuiging dan ze voelde. Het was niet te hopen dat dit soort verjaardagen vaak langs zouden komen.

Haar vader keek haar onderzoekend aan en zuchtte. ‘Af en toe is het leven niet gemakkelijk. We zullen voor je bidden, kind.’


[wordt vervolgd