Een inwoner van Lunteren, die zeer dicht bij de boerderij woont, stapte naar deze rechter, nadat het college van b. en w. het bestemmingsplan in maart van dit jaar vaststelde. Hij had al in september 2018 al bezwaar aangetekend tegen een verleende omgevingsvergunning voor de bouw en uitbreiding van een varkensstal op dit perceel. Het college van b. en w. had daar nog geen besluit over genomen. Om te voorkomen dat de agrariër alvast zou beginnen met bouwactiviteiten, vroeg de inwoner bij de rechter om een zogenoemde 'voorlopige voorziening'.

GEUROVERLAST De Lunteraan vreest voor stankoverlast bij zijn huis en vindt dat de gemeente Barneveld dit aspect onvoldoende heeft beoordeeld in het bestemmingsplan. De bewoner stelde voor de voorzieningenrechter dat er al veel intensieve veehouderijen in de omgeving aanwezig zijn en er de afgelopen jaren talloze bedrijfsuitbreidingen hebben plaatsgevonden. Er zou nu al sprake zijn van een te hoge geurbelasting bij zijn huis. Ook vindt de Lunteraan dat er ten onrechte geen landschapsplan voor de wijziging is opgesteld en er geen voorwaarden zijn gesteld aan de manier waarop de stal landschappelijk wordt ingepast.

TAMELIJK SLECHT De gemeente heeft wel geuronderzoek laten doen. Daarin werd het leefklimaat bij de woning van de Lunteraan omschreven als 'tamelijk slecht'. Omdat er wel wordt voldaan aan de wettelijke normen, vond het college van b. en w. het wijzigingsplan aanvaardbaar. De gemeente stelde voor de rechtbank dat ze in haar geuronderzoek nu nog geen rekening hield met een eventuele latere uitbreiding van (hinderveroorzakende) bedrijfsactiviteiten, waar in het bestemmingsplan nog ruimte voor is. Nieuw geuronderzoek kan dan plaatsvinden op het moment dat ook daar een omgevingsvergunning voor wordt aangevraagd, was de gedachte van de gemeente.

RAAD VAN STATE De rechter ging hier niet in mee. Bij een bestemmingsplanwijziging zou men uit moeten gaan van de 'maximale planologische mogelijkheden', zo stelde hij. Hij gaf de Lunteraan verder gelijk in de stelling dat er inderdaad een landschapsplan had moeten liggen en dat de gemeente ten onrechte heeft verzuimd voorwaarden te stellen aan de landschappelijke inpassing. De voorzieningenrechter houdt er op basis hiervan rekening mee dat de Raad van State het bestemmingsplan zal vernietigen en legde de voorlopige voorziening op.

Jannes Bijlsma