Er is in de laatste twee weken van augustus plek voor 24 kinderen op de Zomerschool, waarvan deze krant eerder al melding maakte. Doel ervan is om hun leerprestaties op taalgebied te verbeteren en hen goede startkwalificaties te bieden voor het begin van het nieuwe schooljaar. De initiatiefnemers richten zich in principe op kinderen van zeven tot en met elf jaar, voor wie het Nederlands niet de eerste taal is en bij wie thuis alleen de moedertaal wordt gesproken. Ook kinderen met ernstige taalproblemen (maar geen dyslexie) kunnen eraan meedoen.

Bij deze kinderen gaat het taalniveau gedurende de zomermaanden naar beneden. Na de vakantie is dan vaak sprake van een 'zomerdip'. Hier is sprake van bij meer dan tien procent van de leerlingen in het openbaar onderwijs en ook de Barneveldse scholen signaleren deze dip. De corona-periode, waarin de leerlingen helemaal niet naar school konden, hielp daar bepaald niet bij. Deze heeft geleid tot kansongelijkheid tussen de verschillende leerlingen: kinderen die goede ondersteuning hebben gehad van ouders zijn goed door die periode heen gekomen; kinderen die de taal niet machtig zijn of geen digitale ondersteuning hadden, hadden het moeilijk. Met de zomerschool zou het regulier onderwijs na de zomer minder tijd nodig hebben om die corona- en zomerdip weg te werken, is de gedachte. 

De Zomerschool betreft een proef, om te onderzoeken of het voor Barneveld een haalbaar en succesvol concept is. Volgens de initiatiefnemers is sprake van een succesvol project, wanneer Zomerschool-leerlingen minimaal 150 nieuwe woorden hebben geleerd, zij de geleerde woorden ook goed kunnen toepassen, minimaal op hetzelfde leerniveau zitten als waarmee zij de vakantie ingingen, het plezier in lezen is vergroot en zij met zelfvertrouwen starten aan het nieuwe schooljaar op de eigen school.

Jannes Bijlsma