Freek Wolff

Mijn opa' is de titel van het boek dat Marlies van Duijn-van Haaften schreef. Het ligt op tafel ten huize van Kees van Haaften. Hij speelde al jaren met de gedachte dat het historische en spannende verhaal van zijn vader het een keer waard is voor publicatie.

De wieg van Piet van Haaften stond op 27 april 1920 in Stavenisse, een dorp op het Zeeuwse eiland Tholen. Hij groeide op in een groot gezin. Alle dorpsbewoners kregen op 16 februari 1944 opdracht van de Duitsers om te evacueren, want Nederland zou daar onder water worden gezet, om de zogenoemde Siegfriedlinie te realiseren als verdediging tegen de invasie van de Geallieerden. ,,De dijken zijn echt doorgestoken. Er waren eerst wilde verhalen, hoe hoog dat water zou komen, maar het is een meter hoog geworden. De inwoners moesten allemaal weg uit het dorp. Dat waren er 109", legt Marlies uit.

[SCHAAPSKOOI] Piet vertrok op 6 maart dat jaar met het gezin van zijn zus naar het oosten van het land. ,,Ouderling Potappel uit Stavenisse - bekend in reformatorische kring - had contact met dominee Fraanje van de Gereformeerde Gemeente in Barneveld. Deze bekende predikant heeft ervoor gezorgd dat een aantal mensen kon wonen bij boerenfamilies in Barneveld, maar niet allemaal. Daarom is een deel naar Apeldoorn gegaan en een ander deel naar een kamp met houten barakken op de Ginkelse Hei in Ede, schuin achter de schaapskooi langs de N224.

,,Daar is nu een picknickplaats, 't Wijdeveld. Het kamp was in 1935 gebouwd en geopend door de Heidemij en stond leeg. Hier hadden werkloze jongens gewoond die in de crisistijd bos- en fietspaden moesten aanleggen. Toen het oorlog werd, zijn ze weer vertrokken. Daarom konden in 1944 de evacués uit Tholen hier gaan wonen. Want de vrouw van de beheerder van het kamp, meneer Appels, kwam uit Stavenisse. Zo kon zij dat regelen."

[CULTUURSHOCK] De mensen uit het dorp moesten ineens huis en haard verlaten. Ze werden eerst met vrachtauto's uit Stavenisse naar Bergen op Zoom gebracht, waar ze op een speciale trein zijn gezet richting Ede. Met Enka-bussen reden deze Zeeuwen vervolgens naar het kamp. ,,Daar zat mijn vader bij, samen met het gezin van zijn zus. Hij was 24 jaar en nog vrijgezel. En dan moet je je voorstellen dat die mensen uit Stavenisse nog nooit van het eiland Tholen af waren geweest. De bossen kenden ze niet. Zeker de ouderen wisten niet wat hen overkwam. Met vrachtauto's en per trein ben je ineens weg uit je vertrouwde omgeving. Dat was echt een cultuurshock. Ze waren gewend aan uitgestrekte vlaktes en kwamen nu in een bos terecht. Sommigen zijn er zelfs een keer verdwaald."

Kees en zijn dochter vinden het merkwaardig dat eigenlijk niets herinnert aan het kamp bij de plek op de hei. Ook daarom schreef Marlies het boekje, waar ze ook Leen Potappel voor interviewde, de neef van haar grootvader. De Historische Vereniging Ede heeft er op de website slechts een klein stukje aan gewijd.

Het kamp bestond uit vier barakken met twintig wooneenheden. Er was een kantine, waar kinderen ook les kregen. Bovendien waren er douches, toiletten, een generator en een machinekamer om water omhoog te pompen. Achterin was ruimte voor twee fietsenmakers. In een dienstgebouw kookte de kok het eten. ,,Hij was een beetje Duitsgezind, dus niet zo geliefd. Opa heeft nog een keer een geintje met hem uitgehaald, door bij hem een egel in bed te leggen. Nooit heeft hij verteld dat er eten tekort was. Dat kregen ze vermoedelijk van boeren uit de buurt."

De evacués uit Stavenisse hebben tot 18 september 1944 in het kamp gewoond. ,,Op zondagavond liepen de vrouwen en kinderen uit het kamp met witte lakens langs de bosrand, na overleg met kamphoofd Appels, terwijl de mannen loopgraven groeven. Zodat de parachutisten die net op de Renkumse hei gesprongen waren, zouden zien dat het veilig was en dat er daar geen Duitsers waren. Zij moesten de hei zoveel mogelijk afgrendelen voor het vervolg van de militaire operatie. Maar er waren veel Duitsers op het Edese kazerneterrein. Zij hadden het gebied tot aan Juffrouw Tok al afgegrendeld."

[SCHAMPWOND] Vervolgens heeft er op de achttiende september om een uur of negen een vuurgevecht plaatsgevonden bij het kamp. ,,Dat was bij het ontbijt, terwijl ze op die dag juist blij wakker waren geworden, omdat ze de dag ervoor de parachutisten op de Renkumse hei hadden zien landen. Totdat ze schoten hoorden. De zwager van mijn vader riep: 'Vallen!', waarna iedereen meteen onder tafel kroop en op handen en voeten naar de slaapkamers ging. Want de Duitsers wisten niet eens dat hier mensen woonden. Het was heel gevaarlijk. Eén Duitse soldaat schoot alles van tafel. Hierbij is één persoon van 26 jaar omgekomen en een ander flink gewond geraakt. Mijn vader gaf een Engelsman koffie, ook hij kwam even later om. 'Ik hoor hem nog schreeuwen', zei mijn vader altijd. Zelf had hij een schampwond aan zijn hand", verklaart Kees.

Het waren drie stressvolle uren. Daarna kwamen de Duitsers om iedereen naar buiten te halen. 'Raus!', riepen ze. ,,De bewoners konden niks meenemen, dat heeft opa altijd veel pijn gedaan", zegt Marlies. ,,Eerst moest je Stavenisse uit, waar je al veel achter liet en dit gebeurde in de kamp nog een keer. Later probeerden ze terug te gaan om nog wat spullen op te halen, maar toen was het tot 'Sperrgebiet' verklaard: ze mochten er niet meer komen. Ze hadden niks meer."

Het enige dat nog uit die tijd over is gebleven, is een houten schilderijtje dat bij Kees aan de muur hangt. Het is een uitgesneden kunstwerkje dat Piet in het kamp maakte. Dit toont de brug in Woerden met wat gevels.

De groep kon niet in het kamp blijven. Weer organiseerde ds. Fraanje gastgezinnen, terwijl Piet van Haaften terecht kwam bij de familie Mastenbroek, een kaasboer aan de Stationsweg in Barneveld. Zijn zuster kon terecht aan de Esweg bij de familie Brouwer in hetzelfde dorp.

[BEST DRIFTIG] Kees staat de laatste jaren steeds meer stil bij de impact die deze belevenissen op zijn vader moet hebben gehad. ,,Mijn vader heeft daarna elke Duitser altijd rotmof genoemd. Hij had echt het gevoel dat zij hem alles hadden afgepakt. Eerst in Stavenisse en daarna in het kamp", zegt hij.

Zo had hij in de oorlog nog een flinke aanvaring met Duitsers op de weg van Barneveld naar Lunteren. Daar fietste hij toevallig. SS'ers dwongen hem ertoe om met een witte vlag voor hen uit te lopen, met het oog op Engelse vliegtuigen. Marlies: ,,Opa wilde eerste niet, want hij was best een beetje driftig. Maar hij moest. Toen er vliegtuigen overkwamen, hoorde hij dat niet en zwaaide hij niet met die vlag. Daarom waren die militairen heel boos op hem. Hij heeft echt tegen ze geschreeuwd: 'Schiet me dan maar dood. Ik heb niks gedaan'. Achteraf kwam hij met de schrik vrij, dat was heel link."

Drie broers en zusters van Piet van Haaften vertrokken na de oorlog weer naar Stavenisse, maar hij bleef zelf in Barneveld wonen. Zijn zus Janna ging met de rest terug, alleen Piet ging als boerenknecht bij ene Willemsen aan de Hessenweg werken. Later was hij in de kost bij de familie Bos in de buurt van de Lunterseweg, waar hij bleef tot aan zijn huwelijk met Grietje Blankestijn uit Lunteren. Het stel liep elkaar tegen het lijf in de kerk van ds. Fraanje. Samen kochten ze in 1954 een noodwoning op de plek waar nu de Goede Herderkerk staat aan de Rooseveltstraat. Vervolgens werkte hij bij een deurenfabriek, de Enka in Ede. Daarna was hij dertig jaar lang postbode, hetzelfde beroep dat Kees en twee broers later ook oppakten.

Na zes jaar vertrok het gezin van Piet van Haaften naar een huis aan de Beekstraat in Barneveld. ,,Toen ik naar de lagere school ging, woonden we daar. Hier ben ik opgegroeid", vertelt Kees, die vier broers en een zus heeft. Met zijn eigen echtgenote, Marja van Haaften-Moerman, kreeg hij twee jongens en twee meisjes: Peter, Gerrard, Marlies en Bianca.

Kees' dochter Marlies is erg geïnteresseerd in wat er in de oorlog allemaal is gebeurd. Ze vindt dat ieder verhaal uniek is. ,,Ik was achttien toen mijn opa overleed. Ik herinner me hem als een man met een sigaar in zijn mond en een stok in zijn hand. Hij maakte altijd geintjes. Hij was driftig, maar ook vrolijk. Hoe ouder je zelf wordt, hoe meer je beseft wat hij allemaal heeft meegemaakt. Dan begrijp je ook beter waarom hij Duitsers altijd rotmoffen noemde. Daarom vond ik dat ik dit moest opschrijven, anders vergeten we het. Ik heb de vrijheid genomen om dit vanuit zijn gedachten te doen, al was dat soms best spannend. Je wilt immers dicht bij de waarheid blijven. Daarom heb ik ook Leen Potappel geïnterviewd, de zoon van opa's zus. Mijn vader heeft alles nagelezen. Het mooiste compliment kreeg ik van een oudere man uit Stavenisse. Hij zei: 'Zoals jij het hebt geschreven, zo was het'. Ik kon mijn oma nog als eerste het boekje geven. Zij is deze zomer helaas overleden."

Familiearchief
Foto: Familiearchief
De Zeeuwen, onder wie de vader van Kees, Piet van Haaften, gingen naar het kamp.
Familiearchief
Foto: Familiearchief
De groep kon uiteindelijk niet in het kamp blijven.
Familiearchief
Foto: Familiearchief
Een deel van de mensen is naar een kamp gegaan met houten barakken op de Ginkelse Hei in Ede, schuin achter de schaapskooi langs de N224.
Familiearchief
Foto: Familiearchief
De evacués uit Stavenisse hebben tot 18 september 1944 in het kamp gewoond.
Familiearchief
Foto: Familiearchief
Piet van Haaften.
Freek Wolff
Foto: Freek Wolff
Kees met het kunstwerk van zijn vader uit 1944 en Marlies met het boekje over 'Mijn opa'.
Familiearchief
Foto: Familiearchief
De mensen waren gewend aan uitgestrekte vlaktes. Ze kwamen in een bos terecht. ,,Sommigen zijn er zelfs een keer verdwaald."